LEZEN Gen. 2: 4-17: … uit het stof … en blies de levensadem in.
Genesis 2 is geen tweede scheppingsverhaal, maar beschrijft hoe God met de mens is omgegaan vanaf zijn schepping. Het is de geschiedenis (in het Hebreeuws: toledoot) van de hemel en de aarde (vs. 4) als de weg die God met mensen gaat om Zijn wereldplan uit te voeren. Gen. 2 sluit aan bij de inhoud van Gen. 1. De geschapen mens staat tegenover God in verhouding van verbondskind tot Verbondsgod, HEERE, Jahwe (Luk. 3:38). Zo begint God de geschiedenis met de mens.
God vormt hem uit het stof, de aarde van de aardbodem, daar hoort hij thuis. Hij blaast daarbij de levensadem in zijn neus, zodat de mens een levende ziel wordt (Pred. 12:7). Hoe God dat precies doet wordt ons niet vermeld. Wel blijkt hieruit dat de mens anders is dan een dier. Hij is niet door evolutie uit een dier ontstaan, maar door God tot levende ziel gemaakt om beeld van Hem te kunnen zijn om Hem te eren.
Het stoffelijke lichaam verandert voor de gelovigen op de jongste dag in een verheerlijkt lichaam (1 Kor. 15:44-49).
Eerst is er nog geen hof, tuin of akker voor de mens. Er is nog geen groei van het geschapen groen. Maar dan plant de HEERE God een lusthof, een paradijs in het oosten en plaatst de mens daarin. Hij laat er prachtige bomen opkomen met vruchten waar de mens van mag eten. Dat geldt uitdrukkelijk niet voor de boom van kennis van goed en kwaad. Ook zijn er rivieren om de hof te bevochtigen.
De mens krijgt de opdracht om deze hof te bewerken en te onderhouden. Het is geen luilekkerland voor de mens. Hij krijgt alle toerusting en mogelijkheid, stoffelijk en geestelijk, om met en voor God te leven en Gods opdracht uit te voeren. Zo hebben ook wij nog elke dag de opdracht beeld van God te zijn en met onze mogelijkheden Hem te dienen en te eren.
Hoe vul je het beeld-van-God-zijn praktisch in?
Zingen: Ps. 103:5
