LEZEN: 2 Tim. 1:7-14
O Timotheüs, bewaar het u toevertrouwde pand, wend u af van onheilige, inhoudsloze praat en tegenstellingen van de ten onrechte zo genoemde kennis. Sommigen, die deze kennis verkondigen, zijn van het geloof afgeweken. De genade zij met u. Amen – 1 Tim. 6:20,21
Als ambtsdrager en dienaar van het goddelijke Woord heeft Timotheüs een heel verantwoordelijke taak. Die is hem door God Zelf gegeven, toevertrouwd. Paulus spreekt hem nu indringend met zijn naam aan.
Hij draagt hem namens Christus op: bewaar het pand, het kostbare goed van de verkondiging en bediening van het evangelie. Het kan mensen wijs maken tot zaligheid! Een pand is iets van waarde dat je in handen gegeven wordt om te bewaren. Het evangelie is een uiterst kostbaar goed, een rijke schat.
God stelt ambtsdragers daarvoor in een vertrouwenspositie: ze moeten met Zijn evangelie werken en het ongeschonden laten. Het moet zuiver en onvervalst worden verkondigd. Er mag niets van afgedaan worden en niets aan toegevoegd (Deut. 4:2:12:32, Openb. 22:18,19).
Wat zijn wij als gemeenteleden rijk als wij trouwe ambtsdragers hebben die in Gods kracht en onder Zijn zegen zo hun ambtsdienst vervullen!
Die ambtsdienst vraagt ook strijd. Paulus zegt: wendt u af van zogenaamde wijsheid die menselijke en geen goddelijke wijsheid is. Die zogenaamde wijsheid kan gebracht worden met Bijbelse woorden. Maar het gaat dan om vervalsing. Het is onheilige, inhoudsloze praat, want het gaat in tegen de Schrift en kan leiden tot ondergang. Het vraagt van ambtsdragers ware Schriftkennis en heilig onderscheidingsvermogen om dwaalleer te ontmaskeren en af te wijzen.
Voor de gemeente is het van levensbelang dat voorgangers zo het hun toevertrouwde pand bewaren. Moge de Heere hen ook daarin Zijn genade geven.
Ken je een voorbeeld van zulke inhoudsloze praat?
Zingen: Ps. 119:40
