Op die dag zult u zeggen: Ik dank U, HEERE, dat U toornig op Mij geweest bent, maar Uw toorn is afgekeerd en U troost mij … – Jes. 12:1
In hoofdstuk 11 wordt het herstel van Israël geprofeteerd. De Heere zal een rest verzamelen uit alle landen waarheen ze door Hem verdreven zijn. Deze bevrijding wordt vergeleken met de uittocht uit Egypte (11:16). We mogen hierbij zeker ook denken aan de definitieve bevrijding die de kerk te wachten staat, als Christus de kerk naar het nieuwe Jeruzalem brengt.
Dan volgt in hoofdstuk 12 een danklied van de verlosten. Net zoals Israël zong na Gods machtige verlossing uit Egypte zo zullen de toekomstige verlosten dit ook doen. Jesaja mag ze de woorden in de mond leggen. Als uit één mond (Rom. 15:6) zullen ze zingen dat het God Zelf is Die een keer in het lot van Zijn volk brengt. Hij ontfermt zich weer over Zijn volk.
Dat kan alleen op basis van het komend offer van Christus. Rom. 3:25 zegt over de Christus: “Hem heeft God openlijk aangewezen als middel tot verzoening … Dit was om Zijn rechtvaardigheid te bewijzen vanwege het voorbijgaan van de zonden die eertijds hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God.”
Juda zingt het daarom uit: zie, Gód is mijn heil. Ze hoeven geen angst meer te hebben en kunnen vol vertrouwen verder. Want hun kracht en psalm is de HEERE. De boodschap is ook profetisch: “U zult met vreugde water scheppen uit de bronnen van het heil”(vs. 3).
De Heere Jezus haalt deze woorden aan als Hij het volk in Jeruzalem toeroept: “Als iemand dorst heeft. Laat Hij tot mij komen en drinken”. Met deze aanhaling wees Jezus op de Geest die Hij zou zenden (Joh. 7:37,38).
Water is teken van zegen en leven speciaal in oosterse landen (vergelijk Jes. 41:7,8). Ook in Openb. 7:17 lezen we ervan bij de definitieve verlossing: “Want het Lam, Dat in het midden van de troon is zal hen weiden en zal hen geleiden naar de levende waterbronnen. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen”