LEZEN: Jes. 13:1-22
Babel, het sieraad van de koninkrijken, de luister en de trots van de Chaldeeën, zal zijn als toen God ondersteboven keerde Sodom en Gomorra.– Jes. 13:19
In hoofdstuk 13 begint een reeks profetieën tegen goddeloze volken en machten. Gods volk mag weten dat God alle volken bestuurt. De machten die tegen God opstaan en een bedreiging vormen voor de kerk kunnen niets doen buiten Zijn leiding.
Heel Gods regering is gericht op de kerkvergadering door Gods Zoon en de eer van Zijn naam. Zo mag Israël tot zijn troost van Jesaja horen wat God heeft besloten over de grote koninkrijken van de aarde. Het trotse Babel is hiervan het treffende toonbeeld (Gen. 11), in Openbaring zelfs aanduiding voor alle antichristelijke machten.
Dat Babylon in Jesaja’s tijd nog geen grootmacht was, doet niets af van het goddelijke waarheidsgehalte. De “last” van vers 1, ook vertaald met “Godsspraak”, moet Jesaja overbrengen, maar aan wie? Dat zal toch Gods volk zijn ten dage van Jesaja en daarna. Hoofdstuk 14, dat aansluit bij hoofdstuk 13, spreekt namelijk van de terugkeer van Israël uit de ballingschap.
Hier betreft het dus een goddelijk oordeel over de grote vijand van Israël dat ballingen troost zal geven als ze eenmaal naar Babylon zijn afgevoerd. Het is de HEERE die de verovering en verwoesting van Babel in gang zet door andere volken als strijders (“Mijn geheiligden”, door God afgezonderd voor deze strijd van Hem) in te schakelen. Dat zullen de Meden en Perzen zijn (vs. 17).
Van het toenmalige Babel is niets meer over, net als van Sodom en Gomorra. Toch reikt de profetie verder. Het verwijst al naar de dag van het eindgericht als God de slechtheid van de wereld op afschrikwekkende wijze zal straffen (vs. 6-16, Openb. 18:2,8,16,17,21). In het nieuwe Jeruzalem zullen geen goddelozen meer worden aangetroffen (Openb. 21:8,27;22:15).
Hierin moeten we ook Gods heerlijkheid zien (Openb. 18:20, 19:1-5).
Wat zijn vandaag antichristelijke machten?
Zingen: Ps. 83:5,6