LEZEN: Hebr. 5:1-10: … U bent Priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek … een oorzaak van eeuwige zaligheid…
We lezen nu meer over het priesterschap van Christus. Om de ware Middelaar te zijn moet Christus het priesterambt vervullen. Christus wordt vergeleken met oudtestamentische priesters. Deze traden op in de verhouding met God ten gunste van mensen (v.1). Zij moesten gaven en offers brengen vanwege de zonden. Hun zwakke menszijn maakte dat zij mild konden oordelen over het volk dat zondigde uit onwetendheid, onopzettelijk (Lev. 4, Num.16). Tegelijk betekende hun menszijn dat zij vanwege hun zondig zijn, ook voor zichzelf moesten offeren. Elke priester, ook Aäron, was daartoe door God aangesteld.
Hoe is het nu met het Priesterschap van Christus? Ook Hij is door God aangesteld. Maar wel in een totaal andere hoedanigheid, namelijk als Gods eigen Zoon (Ps. 2)! Hij stamt niet uit een menselijk priestergeslacht, Hij is uit God! Zijn Priesterschap kent geen einde: Hij is Priester naar de orde van Melchizedek. Hij is de meerdere van Aäron. De schrijver neemt zijn bewijs uit Psalm 2 en Psalm 110.
Als Priester leeft Christus mee met Zijn volk. Hij kent hun nood: Hij heeft Zelf smeekbeden geofferd (v.7). In de dagen van Zijn vlees op aarde, dat is: als zwak mens, beladen met de zonden van de zijnen, bad Hij onder tranen tot God. Hij wist dat God Hem kon redden van de dood, maar Hij moest gehoorzaamheid leren (v.8).
Dit wijst op het indringend gebed van Christus in Gethsemané en Zijn luide roep aan het kruis (Matt. 28:46). Het vooruitzicht door God, Zijn Vader, verlaten te worden in de eeuwige dood vervulde Hem met de grootste smart en angst (Matt.26:38, Luk. 22:44).
Christus wist wat Hij moest doen, toch deed dit verschrikkelijke oordeel Hem bitter huilen en luid roepen tot God. Maar Hij aanvaardde de wil van Vader (Matt. 26:42), en leerde zo gehoorzaamheid. God gaf in Zijn opstanding uit de dood Zijn antwoord op het gebed van Zijn Zoon. Zo is Hij nu oorzaak van onze eeuwige zaligheid geworden!
Kun je inschatten hoe zwaar het voor Jezus was?
Zingen: Gez. 17:4,5
