LEZEN: Hebr. 6:13-20 … Deze hoop hebben wij als een anker voor de ziel, dat vast en onwrikbaar is en reikt tot in het binnenste heiligdom, achter het voorhangsel. Daar is de Voorloper voor ons binnengegaan
De navolging van vers 12 betreft met name Abrahams geloofsvertrouwen, geduld en hoop die hij toonde toen hij Gods beloften kreeg. God Zelf had hem niet alleen Zijn beloften van Zijn zegen (Christus) en een groot nageslacht toegezegd, maar deze ook met een eed bekrachtigd. God wilde daarmee Zijn beloften nog overvloediger bewijzen.
Als God bij Zichzelf zweert dan is onze hoop op de vervulling ervan absoluut zeker. Dat bepaalde voor Abraham en bepaalt ook voor ons, de vastheid van de hoop die we in dit leven mogen ontvangen.
Bij Abraham werkte die vastheid uit, dat hij geduldig kon wachten op het moment dat God het beloofde zou geven. Eerst in de geboorte van Izak. Ook wist hij al zeker dat er een groot volk uit hem zou voortkomen, en dat alle stammen van de aarde in Christus gezegend zouden worden.
Abraham wist zelfs dat er een stad met fundamenten zou komen: het nieuwe Jeruzalem (Hebr. 11:10). Ook hij is beproefd op het vasthouden van zijn hoop. Maar de HEERE deed hem onverwrikbaar volharden (Hebr. 11:17-19; Rom. 4:18v).
Als we bij de HEERE onze toevlucht nemen, is Hij het die ons de hoop die voor ons ligt en nog niet zichtbaar is, doet vasthouden. Bedoeld zal zijn de hoop om eens binnen te mogen gaan in het Vaderhuis, het hemels heiligdom (7:19). Daar is Christus al als Voorloper voor ons (v.19,20).
Onze ziel mag Zich met Hem vast verbonden weten, zoals een anker van een schip onwrikbaar vast ligt zodat het schip niet wegdrijft. Het anker reikt tot daar waar Hij is, onze Hogepriester, in het hemels heiligdom. Hijzelf is daar als onze garantie, ons onderpand. Alles is vast en zeker voor ons als we met Gods beloften onze toevlucht bij Hem nemen.
We krijgen dan barmhartigheid van de eeuwige Hogepriester en Voorspraak Jezus. Dan zijn we ook getroost en gesterkt in de zekere hoop eens eeuwig bij Hem te mogen zijn in heerlijkheid, als al Gods beloften heerlijk vervuld zijn.
Wat zou twijfels kunnen geven m.b.t. Gods beloften?
Zingen: Gez. 37:2
