by S. de Marie | 6 januari 2024 06:00
In de komende afleveringen geef ik iets weer wat vanaf de Afscheiding is geschreven over de “gereformeerde gezindte”.
Ds. W.G. de Vries 1959 (1)
Dr. W.G de Vries schrijft in 1959 (toen nog als ds. De Vries) een brochure over de “gereformeerde gezindte”, uitgegeven door Oosterbaan & Lecointre. In onderstaande laat ik de schrijver aan het woord en geef ik soms de inhoud samenvattend weer. Het is 15 jaar na de Vrijmaking van 1944 geschreven. Er wordt dan binnen de GKv al verschillend tegen deze gezindte aangekeken. Enerzijds wordt het “bedroevend gevonden dat mensen die willen buigen voor de Schrift en een gereformeerde levensstijl willen voeren, elkaar niet kunnen vinden binnen de muren van één kerkgenootschap”, maar het “verblijdende blijft, dat zij allen toch gereformeerd gezind zijn in de leer, waaruit blijkt, dat ze zich willen onderwerpen aan de Schrift” (pag. 5). Deze “gereformeerde gezindte” vindt men met name in het organisatie-leven. Zoals studentenleven, politieke leven en op allerlei terrein waar christenen van allerlei kerken samenwerken. Het wordt in de GKv door meerderen als een grote zegen gezien.
Toch wijst ds. De Vries op een groot probleem. Dat probleem ligt in het gegeven dat men “de grenzen van de kerk te boven en te buiten gaat”. Men wil in alle verwarring van het kerkelijk leven “over de kerkmuren heen” elkaar de hand kunnen reiken en een gemeenschap vormen onafhankelijk van de kerk waartoe men behoort. De kerkvraag wordt liever vermeden. Maar past dit bij het gegeven dat Christus Zijn kerk Zijn bruid noemt? Wordt het dan: ik ben eerst een gelovige en pas in de tweede plaats kerklid? Nu we als kerken niet één zijn, zijn we dat gelukkig wel als gelovigen. Voor het horen tot die gezindte is het lid zijn van deze of een andere kerk niet van wezenlijk belang.
De oorsprong van de “gereformeerde gezindte” ligt in de situatie na de Afscheiding van 1834 met een reeks aan verschillende kerken die in de loop van de tijd naast de NHK als “moederkerk” ontstonden. Bovendien bleven na de Afscheiding nog vele Schriftgetrouwe “gereformeerden” achter in de NHK. Toen er rond het begin van de 20e eeuw een christelijk organisatieleven tot bloei kwam werd gezocht naar onderlinge samenwerking van “gereformeerden” uit al die verschillende kerken.
Ds. De Vries gaat in de geschiedenis na in hoeverre men het kerklidmaatschap bepalend acht voor al dan niet onderlinge samenwerking van “gereformeerden” uit verschillende kerken.
Vanaf 1837, kort na de Afscheiding, benaderen de afgescheiden broeders de achtergebleven broeders door hen op het bevel van de Heere te wijzen dat ze alleen door afscheiding de daadwerkelijke gemeenschap der heiligen zouden beoefenen. Ook bestrijden zij het argument van de achtergebleven broeders dat er ook zonder zichtbare eenheid een geestelijke eenheid van het lichaam van Christus zou kunnen zijn.
In 1878 schrijft ds. H. Beuker in “De Vrije Kerk” in verband met plannen van dr. A. Kuijper om een “interkerkelijke” gereformeerde theologische faculteit op te richten: “Een gereformeerde theologische faculteit is ondenkbaar zonder een Gereformeerde kerk. … Er is verschil tussen gereformeerd willen zijn en metterdaad gereformeerd handelen”. Een aantal jaren later werd de Vrije Universiteit gesticht. Er kwam een protest van 11 predikanten, waaronder ook de latere professor Lucas Lindeboom. Ze doen een appel op de gereformeerde belijdenis die ze onderling delen. Ds. De Vries onderstreept een “heel belangrijke opmerking” in hun bezwaar:
“Ook gij wilt de Gereformeerde belijdenis eren en bij het volk in eere brengen. Maar gij kunt en moogt en wilt toch immers ook niet Art. 27-32 eruit lichten? Gij zult toch ook niet zeggen, dat die artikelen nevenzaken betreffen? Gij oordeelt immers ook, dat de Ned. Geref. Kerk daarin, van haar oorsprong en bestaansrecht rekenschap gevende, de Geref. kerkelijke beginselen , den grondslag van het kerkelijk leven, naar den Woorde Gods heeft aangewezen? Welnu. Juist uit kracht van die Geref. beginselen hebben wij ons – om met de woorden der belijdenis te spreken – naar “het ambt aller gelovigen” afgescheiden van het Ned. Hervormd Genootschap omdat het als lichaam ruimschoots de kernmerken draagt, die onze Vaderen bewogen om zich van Rome af te scheiden, en zich als een Geref. Kerk naar Gods Woord te vereenigen” (pag. 13,14)
Als dr. A. Kuyper in reactie op verschillende artikelen tenslotte in 1888 schrijft over “zonen van hetzelfde huis” en daarmee bedoelt dat “bij confessionelen hetzelfde gereformeerde bloed in de aderen stroomt”, reageert ds. Beuker: “Dit doet ons weldadig aan, … als dit niet slechts in Gereformeerde woorden en leuzen, maar in waarachtige Gereformeerde levenswijze en daden openbaar wordt”. “Zonen van hetzelfde huis, maar die leven en wonen in, gehoorzamen aan, en strijden voor verschillende huizen”.
Ds. De Vries is van oordeel dat de “gereformeerde gezindte”, die uitgaat van dit “huis” zonder kerk te zijn, het “kerkelijk geweten” op een ontzettende wijze afstompt, want het “kwam niet te pas binnen de grenzen van de vereniging tegen iemand te zeggen: Man, je zondigt door lid te zijn van die en die kerk” (pag. 18).
Ook iemand als prof. dr. D.W.D. Fabius (1851-1931) heeft het scherp gezien. Hij acht een samenwerking, die een christendom voorstaat BUITEN de Kerk en “zonder onderlinge KERKELIJKE gemeenschap van zijn belijders zeer gevaarlijk (pag. 19).
In de brochure van Ds. De Vries komt vervolgens de tijd na de Vrijmaking van 1944 aan de orde. Een belangrijk zaak was toen uiteraard de Vrijmaking zelf die volgde op bovenschriftuurlijke binding en schorsingen. Daarmee kwam de zaak van de kerk in onderlinge contacten extra op scherp te staan. Ds. De Vries gaat er uitgebreid op in. Hij citeert een conclusie die in het geschrift “Kracht en doel der politiek” (Oosterbaan & Le Cointre, 1948) is opgenomen waaraan meerdere predikanten waaronder de professoren. P. Deddens. S. Greijdanus, B. Holwerda, K. Schilder en C. Veenhof, hun instemming hebben betuigd:
In alle christelijke organisaties moet de vraag aan de orde worden gesteld of de zonde, die in de kerk werd bedreven in het tot Goddelijke waarheid verklaren van allerlei menselijke woorden en constructies, het aantasten van de Koningsheerschappij van Christus door het oprichten van menschelijk gezag in de kerk, het uitdrijven van hen, die zich daartegen om Gods wil verzetten en het in en door alles scheuren van Christus’ kerk – een zonde die nog steeds wordt gehandhaafd – de mogelijkheid van een gelovige en waarachtige samenwerking met hen, die deze zonden dagelijks vasthouden en bevestigen, niet heeft weggenomen en dengenen, die, berustend in deze zonden, zonder meer blijven samenwerken van den zegen des Heeren beroven”
Ds. De Vries merkt op: Het conflict in de gereformeerde kerken is dan ook niet te lokaliseren tot strikt-kerkelijk terrein, omdat wat zonde is op het ene terrein het evenzeer is op het andere (pag. 44). Hij vraagt voor een verantwoorde houding m.b.t. kerkelijke afscheidingen, scheuringen en vrijmakingen in en buiten de kerk aandacht voor 1 Cor. 11:19 “Want scheuringen moeten er wel onder u zijn, zal het blijken, wie onder u de toets kunnen doorstaan”. U kunt dit in de volgende aflevering lezen.
(wordt vervolgd)
Source URL: https://www.bouwen-en-bewaren.nl/2024/01/06/gereformeerde-gezindte-voor-of-tegen-ware-eenheid-2/
Copyright ©2026 Bouwen en Bewaren unless otherwise noted.