Hieronder volgt het tweede deel van passages uit de toespraak van ds. K.A. Kok over de praktijk van de Avondmaalsviering in de OPC in relatie tot de visie op de kerk.
(vertaling S. de Marie)
Uit: Ds. K.A. Kok: “Presbyteriaans of Gereformeerd”, toespraak in Orangeville, Canada in 1986 (gepubliceerd in Shield & Sword) (zie ook: https://spindleworks.com/library/kok/presorref.htm)
(…)
Het is dan ook niet verrassend dat de OPC mensen toelaat als leden, die hun kinderen niet willen laten dopen, dat leden niet verplicht zijn om de belijdenissen van de kerk aan te hangen, dat predikanten en ouderlingen alleen verplicht zijn om vast te houden aan het “systeem” (hoofdlijnen) van de leer die in de belijdenissen staat31 en dat de OPC alle “oprechte christenen” toelaat aan de Avondmaalstafel, zelfs als hun belijdenis in strijd is met die van de OPC.32
Zoals Charles Hodge duidelijk maakt, kan het “één geloof” zijn van Efeziërs 4:5 niet worden toegeschreven aan enige zichtbare gemeenschap die zichzelf de kerk van God noemt, maar wordt het alleen in de hemel gerealiseerd.33
Het zou ons niet moeten verbazen om te lezen dat Dr. Richard Gaffin betoogt dat er een wezenlijke eenheid is tussen gereformeerde gelovigen en andere gelovigen. Sterker nog, de gereformeerde theologie drukt de “diepste bedoelingen” uit van de niet-gereformeerden. Het enige verschil is een kwestie van consistentie.34
Het is ook niet verrassend dat deze houding overeenkomt met de houding van de synodale kerken in de jaren 1920 en 193035.
Omdat de kerk op grond van ervaring vastgesteld moet worden, zou je verwachten – zoals je ook constateert – dat Charles Hodge betoogt dat een “blijk van vroomheid” alles is wat nodig is voor toelating tot de Avondmaalstafel36, en dat de OPC Hodge hierin volgt. Dit alles vloeit voort uit de gebrekkige en niet-Bijbelse leringen in de Westminster Standards met betrekking tot het verbond en de kerk.
… … … … … … … … …
Ik zal me beperken tot een bespreking van de beslissing van de 50ste Algemene Vergadering met betrekking tot het bezwaar van ds. Hofford, en ik wil afgaan op de evaluatie die gegeven is door OPC Classis Ontario-Zuid, 9 december 1987.59
Het bezwaar was, in de eenvoudigste vorm, gericht tegen de kerkenraad van de Burtonsville OPC omdat ze een enig toezicht op de Avondmaalstafel van de ouderlingen verving door alleen een mondelinge waarschuwing van de predikant vóór de viering van het avondmaal.
Het comité dat aan de Algemene Vergadering rapporteerde, bevestigt dat deze mondelinge waarschuwing wordt toegestaan door de “praktijk van de presbyteriaanse kerken.”
Dit beleid bestond uit het volgende:
“De tafel zal mondeling worden bewaakt maar openstaan voor leden met een goede naam in hun kerken. Er zal worden gevraagd dat degenen die deelnemen, avondmaalkaarten ondertekenen. De thuisgemeenten van de bezoekers zullen op de hoogte worden gesteld van hun deelname. De voortdurende geschiktheid van aanhangers van Covenant Church zal door de kerkenraad op individuele basis worden overwogen.”60
Deze procedure staat op zijn best toe, dat tucht achteraf plaatsvindt en is een blijk van verwaarlozing van de verantwoordelijkheid van de ouderlingen om de Avondmaalstafel te bewaken. Het openstellen van de Tafel geldt voor allen met een goede naam in hun kerken; maar welke kerken? De baptisten? De rooms-katholieke kerken? Zijn alle kerken gelijk hierin? (Natuurlijk, gezien de OPC-leer van de kerk, zijn alle kerken min of meer gelijk.) Deze commissie verklaarde ook dat het aan elke individuele kerkenraad was om te bepalen hoe het Heilig Avondmaal gevierd moest worden.61
Toch merkt Classis Ontario-Zuid terecht op:
Hoewel het waar kan zijn dat de kerkenraad rekening moet houden met de omstandigheden van de kerk, mag dit niet de prioriteit hebben. De prioriteit moet zijn wat God zegt in Zijn Woord. Dit kan ingaan tegen wat wij beschouwen als de behoeften van de gemeente. Dit punt maakt van de omstandigheden de norm in plaats van het Woord van God. Dit maakt dit punt ongeldig, zodat het geen grond kan zijn voor afwijzing van het bezwaar.62
De OPC Algemene Vergadering besloot dat een kerkenraad wettig kan beslissen of het aan het individu is om deel te nemen aan het Avondmaal of niet.
Het antwoord op de klacht maakt de pluriformiteit van het OPC-beeld van de kerk duidelijk.
De commissie merkte op:
Net zoals we het risico lopen van misbruik door onze vereisten voor kerkelijk lidmaatschap te beperken om de zwakken die een geloofwaardige belijdenis van het geloof afleggen, niet te weigeren, zo kunnen we het risico lopen van misbruik van het Avondmaal door onze vereisten voor bezoekers te beperken tot leden van evangelische kerken, maar dit doen we om het Avondmaal niet te weigeren aan degenen die met Christus en met Zijn onzichtbare kerk zijn verbonden.
Het voorrecht om aan bezoekers het sacrament van het Avondmaal aan te bieden, is niet eenvoudig een genadige uitbreiding van de christelijke gemeenschap namens de leiding van een bepaalde kerk. Het is veel minder een onregelmatige of ongeautoriseerde aanname van geestelijke jurisdictie. Het is eerder een juiste en noodzakelijke uitdrukking van de katholiciteit van de kerk en van het karakter van kerkregering zoals gepresenteerd in het Nieuwe Testament.63
Het is duidelijk dat de OPC alle evangelische kerken, gereformeerd en niet-gereformeerd, als ware kerken beschouwt. De commissie is zelfs kritisch over het beoordelen van evangelische kerken uitsluitend op basis van de kenmerken van de kerk en het beoordelen van een individu op basis van zijn kerkelijke verbondenheid.64
Classis Ontario-Zuid had zeker gelijk om bezwaar te maken tegen deze gelijkstelling van evangelische kerk met ware kerk. En deze classis had zeker gelijk om te oordelen dat deze benadering “een toevlucht zoekt in een concept van de onzichtbare kerk, waardoor de verbondsverantwoordelijkheid wordt ondermijnd.”65
De commissie van de Algemene Vergadering concludeerde dat een mondelinge waarschuwing in overeenstemming is met het oordeel van de liefde, omdat christelijke liefde “alle dingen gelooft” (1 Kor. 13:7). Zo toont de mondelinge waarschuwing de “geestelijke gastvrijheid van verwelkomende liefde” en geeft het op gepaste wijze eer aan het woord van een broeder of zuster.
Inderdaad, het eisen van “officiële certificering” zou gemakkelijk onze getuigenis van de Tafel als die van de Heere kunnen compromitteren.”66
Zulk redeneren is de weg naar waanzin; de passage wordt uit zijn context gehaald en heeft als uiteindelijk resultaat dat de verantwoordelijkheid van de ouderlingen om de Tafel te bewaken is weggehaald.67 Het leidt er in feite toe dat de directe supervisie van de ouderlingen moet worden vermeden.
De commissie betoogt dat het beter is het risico te lopen dat de Tafel wordt misbruikt dan dat het te “exclusief” is.68
Opnieuw merkte de Classis terecht op dat deze benadering de ernst van het oordeel van God bagatelliseert: de Classis overweegt dat de Vergadering met deze verklaring meer angst toont om mensen te mishagen dan om God te mishagen. Onze liefde voor de naaste mag onze liefde en gehoorzaamheid aan Christus niet te boven gaan.
Bovendien creëert de Vergadering met de uitspraak “ons getuigenis van de Tafel als die van de Heere” een vals dilemma. De Tafel is inderdaad van de Heere, en is daarom de Tafel die het Hoofd van de Tafel toevertrouwt aan Zijn bevoegde ouderlingen om te bewaken en te onderhouden. De tucht die met de Tafel is verbonden, van de ouderlingen wegnemen en het overlaten ervan aan de directe tucht van God is een vrome dwaling.
Deelname aan de heilige zaken van de Heere door hen die het “lichaam niet onderscheiden”, brengt inderdaad de toorn van God over heel de gemeente. Zie Num. 16:20-24; Joz. 7:10-15; 2 Kron. 30:18-20; 1 Kor. 11:29-30; HC V&A 82. Het heeft God er daarom toe gebracht de ouderlingen te belasten met de uitoefening van de tucht met betrekking tot de Tafel des Heeren, zoals blijkt uit vele plaatsen in de Schrift, bijvoorbeeld 1 Kor. 5; 2 Tess. 3:6,14.69
De wijze van Avondmaalsviering, die zeker is toegestaan binnen de OPC en die deze Algemene Vergadering lijkt aan te bevelen, is in strijd met de Schrift en de Drie Formulieren van Eenheid.
De verbondsverantwoordelijkheid van de kerk om God aangenaam te zijn en Zijn waarheid in acht te nemen, vereist zowel het zeggen van “nee” als het zeggen van “ja”. En een kerk die geen “nee” kan zeggen, verliest al snel haar vermogen om “ja” te zeggen.
Een kerk die onderscheid maakt tussen het geloof dat ze belijdt en het geloof dat nodig is voor redding, is al begonnen aan de weg van ware naar valse kerk, omdat ze de aanwezigheid en het onderwijs van Christus in haar midden heeft ontkend.
We moeten concluderen uit deze manier van het vieren van het Heilig Avondmaal dat de OPC het vermogen heeft verloren om “nee” te zeggen. We moeten ook concluderen dat de OPC wel degelijk onderscheid maakt tussen haar normen en het geloof dat nodig is voor redding. Dus moeten we onvermijdelijk concluderen dat de OPC is begonnen aan de weg van ware naar valse kerk.
…
——————————————————————————————————–
Voetnoten
31 Zoals de CEIR het uitdrukt, “Een verdere overweging in dit verband is de kwestie van het ondertekenen van de belijdenis van de kerk. In de tweede bevestigingsvraag van de OPC wordt de vraag gesteld: ‘Neemt u oprechte de Geloofsbelijdenis en Catechismi van deze Kerk aan en keurt u ze goed als bevattende het stelsel van leer dat in de Heilige Schrift wordt onderwezen?’ Deze eed en een bevestigend antwoord daarop zijn door ons nooit geïnterpreteerd als een begrip van ondertekenen op de ipsissima verba (SdM: precies dezelfde woorden). Wat van ons wordt geëist, is een oprechte aanvaarding en goedkeuring van de belijdenisstukken als bevattende het stelsel van leer dat in de Schrift wordt uiteengezet.” Rapport, p. 22.
32 Notulen van de Drieëndertigste Algemene Vergadering, 25-28 april 19661, p.94.
33 Charles Hodge, I and II Corinthians, Ephesians (Wilmington: Sovereign Grace, 1972), pp.71-73
34 Gaffin, op cit., p. 4.
35 Rev. De Jong wijst op de houding van de synodale kerken in “The Significance of The Liberation of 1944 for the Gathering of the Church Today,” Secession and Liberation For Today, ed. Rev. J. Mulder (Londen: I.L.P.B., 1986), p. 22.
36 Hodge, The Church and It’s Polity, pp. 218-224.
59 Deze beslissing wordt besproken in het persbericht, Clarion, vol. 37, nr. 6, 18 maart 1988, pp. 134-136.
60 Notulen van de Vijftigste Algemene Vergadering van de Orthodoxe Presbyteriaanse Kerk, 2-9 juni 1983, pp. 121-122.
61 Ibid. 62 “Persbericht,” p. 135. 63Notulen, 1983, pp. 123-124. 64 Ibid., p. 123. 65 “Persbericht,” p. 135.
66 Notulen, 1983, p. 123. 67 “Persbericht,” p. 135. 68 Notulen, p. 123, doorlopend. 69 “Persbericht,” pp. 135-136.
Tot zover ds. K.A. Kok.
(wordt vervolgd)
