Ds. W.G. de Vries 1958 (vervolg)
Zoals in de vorige aflevering aangegeven, is de “gereformeerde gezindte” al in negentiende eeuw ontstaan door de kerkelijke verdeeldheid onder hen die zich ‘gereformeerd’ noemen. De betrokken kerkgenootschappen hebben in hun ontstaan of voortbestaan te maken gehad met scheuringen, afscheidingen en/of vrijmakingen. Ds. De Vries verwijst in zijn genoemde brochure naar 1 Cor 11:19 om te leren hoe we hiermee moeten omgaan. Ik citeer nu letterlijk (daarom cursief) de tekst van pag. 24-27.
Scheuringen “moeten” er zijn
“Daarover spreekt 1 Cor. 11 :19: „Want scheuringen moeten er wel onder u zijn, zal het blijken, wie onder u de toets kunnen doorstaan” Dat is een stèrk woord. Scheuringen móeten er zijn. Paulus heeft gehoord van verdeeldheden in de gemeente van Corinthe, vooral te danken aan persoonlijke onenigheden. En hoe erg en bestraffenswaardig dat ook is, heel vreemd hoort Paulus er niet van op. Hij zegt zelfs: geen wonder, want er moeten ook zelfs ketterijen onder u zijn. Dat is een nog sterker woord. Want déze scheuringen gaan nog veel dieper dan persoonlijke onenigheden. Ze raken namelijk het fundament van de leer. Het zijn letterlijk haeresieën, die een diepe scheur in de gemeente trekken. Welnu, zegt Paulus, als zulke diep-ingrijpende scheuringen er moeten zijn, dan verbaast het me helemaal niet, dat er ook — minder diep-ingrijpende — persoonlijke scheuringen zijn.
We staan hier dus wel voor een zeer bijzonder woord. Is dat inderdaad bijbels om te zeggen: er moeten scheuringen zijn? Het hangt er maar van af, wat men onder dit „moeten” verstaat. Het betekent natuurlijk niet: God bevéélt het. Integendeel: God verbiedt het. Maar het is hetzelfde „moeten”, dat Christus bedoelde, toen hij tot de Emmaüsgangers sprak, dat Hij hen toch wel gezegd had, dat de Zoon des mensen moest overgeleverd worden in de handen der zondige mensen (Luk. 24 : 7). Het blééf de zonde der Joden dat ze Hem hadden overgeleverd, maar het was toch tegelijk een goddelijk „moeten”, de vervulling van Gods Raad, die hierin openbaar werd.
Hetzelfde vinden wij in Marc. 13 : 7. Daar wordt éérst gezegd dat in de eindtijd o.a. velen zullen komen onder Christus’ Naam en vélen zullen verleiden (vs. 6). En dan zegt vers 7: Dat moet geschieden. Neen, natuurlijk niet alsof God zegt: Mensen ge moet gaan verleiden, ge móet zondigen. Maar in deze zin, dat in dat alles Gods Raad openbaar wordt. Scheuringen in de gemeente, dwaalleer en verleiding, ze gaan niet om buiten Gods Raad. Want wat bedoelt God ermee? Dit, dat juist dáárdoor openbaar wordt wie de toets kan doorstaan, wie stand houdt, wie de goede keuze doet. Daarom zou ik met alle nadruk hierop de aandacht willen vestigen.
De scheuringen en verdeeldheden in Gods Kerk hebben bij God een speciaal doel. Volgens Zijn raad moeten in dit alles de gedachten van veler harten openbaar worden. Want nu moet blijken, wie de goede keuze doet. En dit zéér belangrijk element zullen we in het gesprek over de „gereformeerde gezindte” niet kunnen missen. God vraagt van ons een kéuze. We zullen zulke reële scheuringen niet maskéren door over de scheuren het kleed van de „gereformeerde gezindte” te werpen, dat is: we zullen ze niet bagatelliseren, maar diep dienen te beseffen, dat God ons nu op de proef stelt. Zeg mij, hoe ge kiest in een kerkelijk conflict, want daaruit zal moeten blijken voor Gods oog, of ge de toets van Gods Woord kunt doorstaan!
Daar men echter in de bestaande z.g. „inter-kerkelijke” verenigingen geen uitspraak wil doen over de vraag, hoe iemand moet kiezen in de bestaande scheuringen en veeleer een geloofsgemeenschap suggereert, die over de kerk-vraag juist niet wil spreken, leeft men daar in permanente zonde juist tegen dit Woord van God. Dat deze zaak niet pas met de Vrijmaking is gaan leven, hebben we in het voorgaande o.i. duidelijk aangetoond. Het is ons alles door de Vrijmaking alleen weer duidelijker voor ogen komen te staan.
Ik denk aan wat lang voor de Vrijmaking de bekende straatprediker N. Baas eens zei: „Wij weten de vrede in deze verenigingen goed te bewaren. Daarvoor hebben wij een slagwoord: de kérk er buiten! De poorten der hel zullen onze verenigingen niet overweldigen”.
Zo is het toch vandaag, nietwaar? Men zucht over de kerkelijke verdeeldheid en zegt: Gelukkig, in de christelijke verenigingen kunnen we elkaar nog vinden en vasthouden. Ze worden een soort asiel, een wijkplaats uit de kerkelijke narigheid. En men waakt angstvallig, dat niemand het vuur van de kerkelijke twist daarheen overbrengt, want dan zou de laatste wijkplaats uit de kerkelijke narigheden ons ontvallen!
Als Gód dus zegt: ge móet kiezen en elkáár de noodzaak daarvan voorhouden, want zó worden openbaar allen, die beproefd bevonden worden voor Mij, dan zeggen wij: beste mensen, hiér wordt over die „goede keuze” niét gesproken, iedereen is welkom ONGEACHT zijn kerkelijke keuze. STAAN WE DAARMEE GOD NIET DAGELIJKS TÉGEN? En voor we over alle praktische mogelijkheden en nuttigheden van al deze verenigingen gaan praten, zou ik een ieder voor déze allesbeheersende vraag willen stellen!
Het is dan ook opvallend, dat elke reformatie bij vernieuwing ernst doet maken juist met deze vragen. Denk alleen maar aan Calvijns bekende uitspraak: Wie de kerk niet tot moeder heeft, heeft God niet tot Vader. Ik mag verder verwijzen naar het boven geciteerde uit geschriften der Afgescheidenen.
En ik mag er tevens aan herinneren, dat ook Dr. A. Kuyper in en kort na de Doleantie ernst ging maken juist ook met deze zaken, getuige o.m. deze uitspraak:
„Men zegt mij telkens: „In het geloof zijn wij het eens, al verschillen wij op het punt van de Kerk”, daarmee het denkbeeld ingang gevend, dat mijn geloofsinzicht en mijn zienswijze in het kerkelijke los naast elkaar staan, door geen innerlijke geestesband saam hangen, en naar willekeur saam te rijgen of van elkaar te scheiden zijn. Daar nu komt mijn ganse ziel tegen op. Ik kan, ik mag dit niet toestemmen. Het stuk der kerk is mij wel terdege een geloofskwestie, en mits de opening des harten ver genoeg ga, neem ik aan, bij menigeen reeds in de eerste geloofsaspiratiën de afwijking aan te wijzen, die tot uiteenlopend inzicht in de „locus de Ecclesia” leidt”.
Het was dan ook geen vrijgemaakte splitsingszucht, die juist déze kwesties weer aan de orde ging stellen. Het was een eenvoudig uitvloeisel van wat naar onze vaste overtuiging reformatie der Kerk is geweest. Het was geen lust om overal het vuur der verdeeldheid te zaaien en alles te breken, maar eenvoudig een weer opnieuw verstaan — in de lijn der historie — van Gods eis: Nu moet openbaar worden overal, wié de toets van Mijn Woord kan doorstaan, juist in confrontatie met de kerkelijke gescheurdheid. Dáárom alleen al was bezinning over deze vragen geboden.
Tot zover ds. De Vries. De tijd na de vrijmaking heeft nog duidelijker gemaakt wat de waarde van de gereformeerde geloofsbelijdenis is in het kerkelijke en persoonlijke leven. In de volgende aflevering volgt wat ds. De Vries hierover schrijft met uitspraken van prof. dr. K. Schilder en prof. B. Holwerda.
Daarna geef ik dan aandacht aan wat prof. J. Kamphuis in een rede over de “gereformeerde gezindte” naar voren heeft gebracht.
(wordt vervolgd)
