LEZEN: 1 Joh. 5:10-13 … En dit is het getuigenis, namelijk dat God ons het eeuwige leven gegeven heeft; en dit leven is in Zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet.
Het geloof in de Zoon van God is aanvaarding van wat God over Zijn Zoon in Zijn Woord bekendmaakt. Wanneer je dit als goddelijke waarheid aanneemt, dringt dit getuigenis in je hart door.
Daarbij komt het inwendige getuigenis van de Heilige Geest, waarvan in de vorige verzen werd gesproken. De Geest werkt met dat aangenomen Woord het geloof. Zo neemt je geloofszekerheid omtrent de Zoon van God toe (zie ook Joh. 3:33).
Maar wie niet gelooft in Jezus als de van God gezonden Christus, verwerpt het getuigenis van God over Zijn Zoon en beschouwt God als leugenaar. Dat is een heel ernstige zonde. Het verwerpen van de godheid van Jezus is onverenigbaar met geloof in God.
Het getuigenis van God aangaande de Zoon maakt dat je eeuwige gemeenschap met God de Vader en de Zoon hebt. Jezus zei in Joh. 5:25: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: De tijd komt en is nu, dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen, en dat wie hem horen, zullen leven. Dat leven, deze gemeenschap, is er in Gods Zoon.
Christus is net als God de Vader de Bron van het leven en het leven zelf (Joh. 5:26; 11:25;14:6). Vers 12 zegt kort en krachtig: Wie de Zoon heeft, heeft het leven. Dat is: wie intieme gemeenschap met Hem heeft, heeft het eeuwige leven, dat hier al op aarde begint.
Wie Jezus als Gods Zoon afwijst, blijft in de dood, de geestelijke dood, die zonder bekering uitloopt op de eeuwige dood (Joh. 3:36). Vers 13 ziet niet alleen terug op de laatste verzen, maar op heel de brief. Het wijst op het beslissende van het zekere geloof in Jezus als de Christus.
Het gaat erom dat je geloof in Jezus een zeker weten inhoudt, dat je aan Hem het eeuwige leven te danken hebt. Een leven met en voor God in Christus dat zich uitstrekt tot de eeuwige heerlijkheid.
Zou je je geloof kunnen verliezen?
Zingen: Ps. 37:8
