LEZEN: 1 Sam. 12:1-5: Toen zei Samuel tegen heel Israël: Zie, ik heb naar uw stem geluisterd … en ik heb een koning over u aangesteld … De HEERE is getuige tegen u, en Zijn gezalfde is op deze dag getuige, dat u bij mij niets gevonden hebt. En het volk zei: Hij is getuige.
Er breken jaren van rust aan. Samuel is bijna 70 jaar oud wanneer het volk met een verrassend voorstel komt: ze willen een koning! De argumenten lijken plausibel. Samuel is oud en zijn zonen zijn ongeschikt.
Maar Samuel doorziet het ongeloof achter dit voorstel. Ze willen een koning zoals andere volken die hebben, met macht en aanzien! Dat zou hun positie verbeteren. Samuel voelt zich nu door het volk als dienaar van de HEERE afgewezen.
Maar God zegt in 8:7: “zij hebben ú niet verworpen, maar Míj, dat Ik geen Koning over hen zou zijn.” Toch geeft de HEERE het volk zijn zin.
Saul wordt tot koning gezalfd en aangesteld. Hij begint met het verslaan van Nahas en zijn Ammonitische strijders. Samuel vindt het nu tijd om als richter af te treden. Hij doet dit tijdens een bijeenkomst in Gilgal. Het volk bejubelt koning Saul als hun grote held en staat unaniem achter hem. In zijn afscheidsrede herinnert Samuel het volk aan de eigenwillige keuze voor een koning naar eigen wensen. Hij heeft hen hier al twee keer uitgebreid op aangesproken (Hoofdstuk 8 en 10).
Nu spreekt hij tot hun hart. Zijn ze de goede tijden vergeten onder zijn ambtsdienst? Hebben ze daarin Gods goede en trouwe verbondszorg niet opgemerkt? Heeft hij dan verkeerd gehandeld? Waarom verdedigt Samuel zichzelf?
Ten eerste wil Samuel laten zien dat hij recht van spreken heeft, ook als hij hen straks op hun zonde wijst. Ten tweede wil Samuel laten zien dat de HEERE hen d.m.v. het ambtswerk in niets tekort heeft gedaan. In feite schuiven ze de HEERE Zelf opzij (vgl. Micha 6: 3).
Ten derde moet het volk beseffen dat ze de opvolging van Samuel in Gods hand hadden moeten laten. Zo veroordeelt de HEERE hun keuze via Samuël. Ze hadden zich moeten afvragen: is dit afkomstig van God of van mensen?
Hoe eren wij God en Christus als Koning?
Zingen: Ps. 99:7,8
