LEZEN: Mark. 12:35-37: … David noemt Hem dus zelf zijn Heere en hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn? …
Jezus geeft onderwijs in de tempel. Ondanks alle pogingen om Hem uit te schakelen mijdt Hij het contact met het volk niet. Hij wil hen helpen Hem als de ware Christus te erkennen. Daarvoor sluit Hij aan bij het onderwijs dat de schriftgeleerden geven namelijk dat de Christus de Zoon van David is.
Met die titel was Hij kortgeleden nog bejubeld. En Jezus had dit niet tegengesproken. Nu moet het volk eindelijk inzicht krijgen wie de Christus werkelijk is. Ze moeten de Christus niet alleen zien als de zoon van David maar ook als de Heere van David. Want de zoon van David is tegelijk ook de Zoon van God. Waarom zeggen de Schriftgeleerden dat er niet bij? Zo zegt David het toch zelf?
Jezus raakt hier de diepe ontkenning van Hem door de Schriftgeleerden, zoals straks zal blijken in Zijn veroordeling door het Sanhedrin.
Het gaat om het citaat uit Psalm 110. De Zoon zal aan Vaders rechterhand zitten totdat Hij als overwinnaar Zijn voeten op de nek van Zijn vijanden zal zetten. David heeft dit geprofeteerd, geïnspireerd door de Heilige Geest, zegt Jezus erbij.
We kunnen deze Psalm alleen lezen als Messiaanse Psalm. Het verwijst naar geen andere zoon dan de Christus. In het Grieks van Markus komt niet uit dat de HEERE (Jahwe) spreekt tot de Heere (Adonai) van David: “Zit aan Mijn rechterhand” (Ps. 110:1). Jahwe is de God van het verbond en de Christus is de machtige Heere, Die Zelf ook God is.
Maar hoe kan deze Heere dan Davids zoon zijn? Met die vraag dwingt Jezus het volk erover na te denken Wie ze zojuist hebben toegezongen als zoon van David: Hij is de meerdere van David, Hij is Gods Zoon!
Psalm 110 leert ook dat Christus de overwinning op Zijn tegenstanders zal behalen. Dat is voor Hem zo kort voor de kruisiging een bemoediging, maar voor Zijn vijanden een waarschuwing. Dat het volk graag naar Hem luistert (v.37), zegt niet dat ze dit begrijpen.
Zien we de Heere Jezus als Koning?
Zingen: Ps. 110:1,2
