LEZEN: 2 Kor. 9:6-15
… Want zij allen hebben van hun overvloed erin geworpen; maar deze heeft van haar armoede alles wat zij had, erin geworpen, heel haar levensonderhoud. – Mark. 12:41-44
Weduwen hebben het in de Bijbelse tijd extra moeilijk. Ze missen hun echtgenoot maar daardoor ook inkomen, zeker als de man in staat was te werken. Ook leden ze vaak onrecht, als niemand voor hen opkwam. Juist tegenover gelovige weduwen laat God Zich als een genadig God kennen die mild en goedertieren aan hen schenkt. Hij wordt daarom zelfs de Rechter van de weduwen genoemd (Ps. 68:6).
In Zijn wetten heeft God rekening met de weduwen gehouden, zodat ze door Zijn volk moesten worden voorzien van voedsel (Deut. 14:29;24:19-21;26:12,13). Ook let Hij erop wie hen helpen en eren. Die ontvangen daarvoor Zijn speciale zegen (Jes. 1:17,18; Jer. 7:6; 22:3,4). Aan de andere kant straft Hij hen die weduwen schade toebrengen.
Als de zorg in de eerste gemeente voor de weduwen in het gedrang komt, worden er diakenen aangesteld, zodat in die nood voorzien kan worden. Jakobus omschrijft het bezoeken van wezen en weduwen in hun verdrukking als “zuivere en onbevlekte godsdienst voor God”.
De weduwe die twee muntjes in de schatkist van de tempel werpt, geeft veel meer vergeleken dan anderen die niet alleen staan. Zij geeft de Heere God niet van haar overvloed, maar van haar armoede, zelfs alles wat ze heeft om van te leven.
Daarmee toont zij haar grote liefde tot God. Het bedrag is op zichzelf niet groot, maar dat doet niets af van haar hartelijke liefde. Jezus ziet dit en wijst Zijn discipelen en ons er met klem op. Voorwaar!
Deze weduwe toont met haar gift ook haar grote vertrouwen op de Heere, Die haar zal helpen, ook zonder dit geld. Dan kun je zelfs blijmoedig geven. Dat is God aangenaam. Het gaat niet om de grootte van onze giften, het gaat om ons hart, waarmee we geven: is dat vrijgevig en blijmoedig? God ziet ons hart.
Wat heb je over voor de dienst aan de Heere?
Zingen: Ps. 112:4
