LEZEN: Mark. 15:21-32
En de voorbijgangers lasterden Hem en schudden hun hoofd en zeiden: Ha! … verlos Uzelf en kom van het kruis af! … Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen. – Mark. 15:29-31
De Heere Jezus hangt aan het kruis op Golgotha buiten de poorten van Jeruzalem tussen twee misdadigers in. Hij hangt tussen hemel en aarde, als verstoten en vervloekt door God en mensen.
Toch zijn er heel wat mensen om Hem heen: Romeinse soldaten, overpriesters, schriftgeleerden, oudsten, Farizeeërs, en volk dat komt kijken.
Wat opvalt is dat ze Jezus op dezelfde wijze honen en bespotten, terwijl ze Hem nog pas als Zoon van David hadden toegezongen. Als in één koor vuren ze hun kwellende lastertaal op Jezus af. De satan gebruikt deze mensen omdat hij nu in het nauw komt. Jezus zal hem de kop gaan vermorzelen.
Door deze samenbundeling komt de spot en laster in volle sterkte op Jezus af. En er is niemand die Hem daarin bijstaat. Ze tarten Hem lachend (Ha!) om van dat kruis af te komen: U had zulke ferme woorden, zoveel bluf over tempelafbraak en opbouw, laat nu eens zien dat U zichzelf kunt verlossen. En als U de Zoon van God bent, bewijs dat dan door van het kruis af te komen! Ook de leiders uiten diep kwetsende woorden: Hij kan het niet.
Wat ze zeggen raakt wel de waarheid, zelfs de kern van het verlossingswerk van Jezus op dat moment. Jezus kán zichzelf wel verlossen maar Hij wil het niet.
Toch is het een en al leugen: de verwerping van Hem als Gods Zoon. Zijn vertrouwen op God wordt gesmaad, dat treft Hem in het hart. Dit is hèlse kwelling voor onze Heiland van de kant van mensen. Ze versmaden en vertrappen de eeuwige heerlijke liefde tussen Hem en God de Vader. Hier is de duivel nog gemener bezig als bij de verzoeking in de woestijn (Matt. 4).
Hoe is nu Jezus’ reactie? Hoe reageert Hij op de tartende spot, de giftige laster, de tergende verzoeking? Hij spreekt geen woord, als een schaap dat stom is voor zijn scheerders (Jes. 53:7) en doorstaat dit lijden.
Was er niemand daar die anders over Jezus sprak?
Zingen: Ps. 22:7
