LEZEN: Hos. 7:8-12 Efraïm, met de volken vermengt het zich. Efraïm is een koek die niet omgekeerd is. Vreemden verteren zijn kracht, maar zelf merkt hij dat niet. Ook heeft hij grijze haren gekregen, maar ook dat merkt hij niet. Hoewel de trots van Israël tegen hem getuigde, hebben zij zich niet bekeerd tot de HEERE, hun God. In dit alles zochten zij Hem niet. Efraïm is als een duif, onnozel, zonder verstand; Egypte roepen zij te hulp, naar Assyrië gaan zij! Maar als zij gaan, spreid Ik Mijn net over hen uit. Als vogels in de lucht haal Ik hen neer. Ik straf hen zodra er een zwerm van wordt gehoord.
In de grote nood gaat het volk niet tot de HEERE (vs.7,10), maar zoekt het zijn hulp bij andere heidense volken zoals Egypte en Assyrië. Ze zijn als een koek die in de oven niet omgekeerd is: aan de ene kant verbrand, aan de andere kant niet gaar. Zo ziet God hun godsdienstigheid: voor Hem niet aanvaardbaar, maar ook voor de heidenen niet aantrekkelijk.
Zo is het ook in onze dagen met het verwereldlijkt christendom: niet aangenaam voor God maar ook niet goed genoeg voor de wereld.
Israël heeft aan den lijve ondervonden dat de HEERE hen straft om hun ontrouw, hoogmoed en zonden. Waarom bekeren ze zich dan niet? Begrijpen ze dan niet dat Zijn straf bedoeld is om hen weer naar Zich toe te trekken en dat er alleen verlossing en uitkomst bij Hem te vinden is?
Hosea roept het uit – het is even ernstig als onbegrijpelijk: hoewel hun ellende door hun opstandigheid tegen hen getuigde, hebben ze zich niet bekeerd tot de HEERE, hun God. Zelfs toen de volken bij wie zij hun hulp zochten, hen alleen maar hebben uitgebuit, zochten ze God nog niet. Ze waren bij hun omgang met de heidenvolken zonder verstand: zoals een onnozele duif zich zomaar laat vangen.
Ze beseffen niet dat uitbuiting en gevaar van hun kant komt. Maar laten ze de HEERE dan toch niet verder tarten. Hij laat niet met Zich spotten. Zonder bekering volgt onontkoombaar de verschrikking van de ballingschap als de door God toegezegde straf.
Wat is het aantrekkelijke van religieuze vermenging?
Zingen: Ps. 10:3,7
