LEZEN: Hos. 8:11-14: Ja, Efraïm heeft de altaren talrijk gemaakt om te zondigen, het heeft die altaren om te zondigen! Al schrijf Ik voor hen Mijn wet in tienduizendvoud, toch beschouwt men die als iets vreemds. Zij brengen Mijn offergaven en zij eten zelf van het vlees. De HEERE schept er geen behagen in. Nu zal Hij aan hun ongerechtig-heid denken, en hun zonden aan hen vergelden: zij zullen terugkeren naar Egypte. Israël vergat zijn Maker, en bouwde paleizen, Juda heeft de versterkte steden talrijk gemaakt. Daarom zal Ik vuur werpen in zijn steden; dat zal zijn paleizen verteren.
De HEERE spreekt Zijn volk heel direct aan in heilige verontwaardiging en toorn. Misschien slaan we de tekst van deze en vorige overdenkingen liever over, alsof het ons als nieuwtestamentische christenen niet direct zou aangaan. Het idee zou kunnen zijn dat in Christus en door Zijn kruisdood onze zonden verleden tijd zijn. Dat we anders tegen Gods wet moeten aankijken, als iets dat Christus heeft volbracht in onze plaats. Dat we ons in plaats van de letters van tijdgebonden geboden, nu meer door de Geest moeten laten leiden. Dit is het gedachtegoed van veel christenen in onze tijd.
Daarom zijn de woorden van Hosea uiterst actueel. Juist vanwege de zojuist omschreven gedachtegang waarbij men de mond vol heeft over “liefde”, maar tegelijk Gods liefdesgeboden verkracht. Denk aan het tweede gebod over het in acht nemen van Gods geboden, het vierde gebod over de sabbatsrust als hoogtepunt van de Schepping, het zevende gebod over het onverbrekelijke huwelijk tussen man en vrouw.
Ook Israël gaf zijn eigen invulling aan het verbond met de HEERE. Genoeg plaatsen van godsdienstigheid (vs.11)
Maar men had de HEERE niet lief op de wijze die Hij van Zijn volk vraagt. Hoe vaak had de HEERE hen niet laten weten hoezeer Hij daarop gesteld is. Nu is Gods geduld op (vs.13,14). Gods oordeel komt: Hij gaat vuur werpen. Dat geldt ook nu voor allen die Hem op eigenwillige wijze dienen en zich daarvan niet bekeren.
Wanneer is Gods geduld op in onze tijd?
Zingen: Ps. 14:3,4
