LEZEN: Judas 1:3-7
En Abraham stond ‘s morgens vroeg op en ging naar de plaats waar hij voor het aangezicht van de HEERE had gestaan. Hij … zag dat er ook rook van dat land opsteeg, zoals de rook van een oven. En het gebeurde, toen God de steden van deze vlakte te gronde richtte, dat God aan Abraham dacht. Daarom leidde Hij Lot uit het midden van de verwoesting, … – Gen. 19:27-29
Vers 27 brengt ons na de nacht van het oordeel terug naar de plaats waar Abraham voor het aangezicht van de HEERE heeft gepleit voor het bewaren van Sodom ter wille van tenminste tien rechtvaardigen.
Abraham vertrekt al vroeg in de ochtend. Als hij aangekomen is op de plaats waar hij uitzicht heeft over heel de vlakte, ziet hij de rook van het oordeel, als rook van een alles vernietigende oven. Er staat niet bij wat Abraham heeft gedacht, laat staan dat hij iets uitsprak. Maar Abraham stelt met dit gezicht in stilte vast dat er buiten Lot geen rechtvaardigen in Sodom waren. Hij stelt ook vast dat Gods trouw er niet alleen in zegen is, maar ook in vloek.
Wat Abraham op dat moment nog niet kan zien, is dat God in Zijn oordeel toch aan Abraham heeft gedacht. Bij Gods rechtvaardigheid in Zijn gericht was er ook Zijn barmhartigheid in Zijn verlossing. God heeft zich laten verbidden door Abraham, Zijn vriend, en heeft Lot gered door hem uit het midden van de verwoesting te leiden. Nee, Lot heeft zichzelf niet in veiligheid gesteld. Het was het werk van God door Zijn engelen.
De aanblik die Abraham had, moet ook ons voor ogen blijven staan. Wij allen verdienen de eeuwige verdoemenis, waarvan het oordeel van Sodom en Gomorra een afbeelding is. Er is verlossing mogelijk bij zondige mensen, maar wel vaak als brandhout uit het vuur (Zach. 3:2).
Er is verlossing mogelijk, maar het is genadewerk op voorspraak van onze Heiland Jezus Christus, die Zelf de brandende toorn van God in onze plaats heeft gedragen. Het oordeel van Sodom is een waarschuwing voor allen die Hem afwijzen (Matt. 10:15; 11:23,24).
Is het lot van Sodom belangrijk voor ons?
Zingen: Ps. 59:4
