Zijn onze kerken veranderd? 3B

Vrouwenstemrecht, liedboekliederen, huwelijksformulier

De besluitteksten uit de Acta van GS Mariënberg, art. 25

GS Mariënberg 2005, art. 25 A. Acta pag. 23-29.

Vanwege de uitgebreidheid zijn hieronder de overwegingen weggelaten

Besluit
De Generale Synode van De Gereformeerde Kerken in Nederland, bijeen op 15 oktober 2005 te Mariënberg, spreekt uit, dat de hiervoor genoemde besluiten van de GS Ommen 1993 en GS Berkel en Rodenrijs 1996 t.a.v. het vrouwenstemrecht, vervallen zijn en dat de kerken daaraan niet meer gebonden zijn. Voorts, dat de kerken in dit opzicht handhaven het besluit van Groningen-Zuid 1978, artikel 287.

Gronden
1. In besluit 1 van artikel 24 wordt door GS Ommen 1993 geen recht gedaan aan artikel 30, 31 en 33 KO. De zaak van het vrouwenstemrecht was afgehandeld door de GS Groningen-Zuid 1978. Een beroep tegen een uitspraak van een kerkelijke vergadering moet vóór de eerstvolgende samenkomst van de meerdere vergadering, waarop men zich beroept, geschieden (art. 31 KO).

Ten aanzien van een revisieverzoek is vereist, dat daarin een nieuw punt naar voren wordt gebracht (art. 30 KO). Wat eenmaal is afgehandeld, moet niet opnieuw aan de orde worden gesteld, tenzij men van oordeel is dat wijziging noodzakelijk is (art. 33 KO). Bij het wel opnieuw aan de orde stellen gelden de regels van Kampen 1975, art. 110.

2. Gods Woord leert dat in de gemeente de vrouw geen overwicht mag hebben, niet mag beslissen over een man (1 Tim. 2:12). Zij moet in de gemeente onderdanig, “ondergeschikt” blijven, dat is: zich schikken onder de door de Here ingestelde orde (1 Kor. 14:34-36,40; 1 Tim. 2:11-15).

Het geven van een (mee-beslissende) voorkeurstem bij de verkiezing van ambtsdragers is niet in overeenstemming met de plaats en taak, die de Here aan de zusters in de gemeente heeft verleend. De zusters zullen zich bij voorbaat gewillig conformeren aan de meerderheidskeuze van de broeders bij de stemming voor ambtsdragers.

3. Tegenover besluit 2, grond 2 en grond 3a stellen we, dat de stemming in het geheel van de verkiezing een beslissend karakter draagt. Dat geldt niet voor het vestigen van de aandacht van de kerkenraad op geschikte broeders, en evenmin voor de approbatie (stilzwijgende goedkeuring), dan wel bij het inbrengen van bezwaren tegen een verkozen broeder; in deze gevallen is het de kerkenraad die zijn beslissend oordeel geeft over de aanwijzing of het bezwaar.

Echter bij de stemming is de kerkenraad gebonden aan de inbreng van de gemeente. Hij dient zich te houden aan wie de meerderheid van de gemeente heeft gekozen (art. 20 KO). GS Groningen-Zuid 1978 heeft het stemmen terecht beschouwd als een vorm van regeren; deze GS verbond slechts conclusies aan de Schriftgegevens over de onderdanigheid van de vrouw (1 Kor. 11:3; 1 Kor. 14:34; 1 Tim. 2:11,12,14,15; 1 Petr. 3:5).

4. Tegenover besluit 2, grond 3b stellen wij dat de GS Ommen 1993 de Schriftgegevens over de gelijkwaardigheid van de vrouw aan de man ten koste doet gaan van de Schriftgegevens over de onderdanigheid van de vrouw. De scheppingsorde, waarbij de man tot hoofd van de vrouw is bestemd, wordt genegeerd.

De door de GS aangedragen teksten bewijzen hier niets, omdat ze alleen gaan over het feit dat man en vrouw op gelijke wijze delen in het heil van Christus. Ef. 5:21 leert geen onderdanigheid van man en vrouw aan elkaar, maar is een algemene bepaling die in het vervolg geconcretiseerd wordt (vrouw tegenover man, kinderen tegenover ouders, slaven tegenover heren). In dat vervolg wordt de vrouw opgeroepen onderdanig te zijn aan haar man, niet andersom.

5. Tegenover besluit 2, grond 3d stellen wij dat het spreken van de vrouw in de aangevoerde teksten (Hand. 2:17,18 etc.) iets anders is dan het meebeslissende ‘spreken’ in de verkiezing van ambtsdragers. De stem van de gemeente is de optelsom van de individuele stemmen, zodat de stem van de individuele zuster deel uitmaakt van de beslissende stem van de gemeente;

6. Ten aanzien van besluit 3, grond 1 stellen wij dat er een tegenstelling is tussen de uitspraak dat het stemrecht de zusters niet langer onthouden behoort te worden en de erkenning dat de Schrift geen rechtstreeks antwoord geeft op de vraag of zij mogen stemmen. De GS had moeten aantonen dat er een goddelijke eis is om de zusters het stemrecht te geven. Uit de aangevoerde teksten kan geen conclusie getrokken worden voor het meedoen van de vrouw aan de verkiezing van ambtsdragers.

7. Tegenover besluit 3, grond 2 en 3 stellen wij dat niet alles wat de bevoegdheid en de taak van de gemeente is, ook de bevoegdheid en de taak is van elk individueel gemeentelid (de GS Ommen wil toch ook niet alle doopleden mee laten stemmen). Teksten die spreken over het wonen van de Geest in de gemeente, verbinden daaraan niet het verkiezingsrecht van de zusters. In Handelingen 1:23, 24 en 6:2, 3 worden juist de broeders in de gemeente aangesproken.

8. Tegenover besluit 3, grond 4 stellen wij dat deze grond geen argument voor, maar hoogstens een verdediging van het vrouwenstemrecht bevat. De genomen besluiten zijn onvoldoende afgeschermd tegen de invloed van een tijdgeest die zich kenmerkt door een sterke hang naar individualisme en een onbijbels emancipatie-denken. De drempel naar de vrouw in het ambt kan lager worden door deze besluiten. Schriftgegevens die nu gehanteerd worden voor het vrouwenstemrecht zijn elders ook gebruikt om de vrouw in het ambt te verdedigen.

9. Dit besluit doet afbreuk aan de eenheid tussen man en vrouw in het huwelijk. GS Ommen heeft onvoldoende stilgestaan bij de wijze waarop de huwelijksrelatie naar de Schrift dient te functioneren in de gemeente van Christus. Het naast elkaar staan van twee stemmen werkt eerder verstrooiend dan samenbindend.

10. De afwijzing van de revisieverzoeken door de GS Berkel en Rodenrijs 1996 is onterecht op basis van bovengenoemde argumenten.

LIEDBOEKLIEDEREN
Acta GS Mariënberg, art. 25, Ec pag. 42-66

Voor de tekst van Acta die de beoordeling van de in de GKN toegestane liedboekliederen betreft verwijs ik naar het 3e artikel op de website in de serie “Hoe toetsen wij onze liederen”.  https://www.bouwen-en-bewaren.nl/2024/04/27/hoe-toetsen-wij-onze-liederen-3/

Hieronder volgen achtereenvolgens de algemene overwegingen bij het besluit, het besluit zelf en de gronden:

Overwegingen:
1. Reeds op de GS Ommen 1993 is er door de rapporteur van het meerderheidsrapport op gewezen dat bij een deputaatschap dat gaat inventariseren en onderzoeken (art 46), het gevaar bestaat, dat er van alles losgehaald wordt waar de kerken niet om gevraagd hebben. 

2 De GS Berkel 1996 kreeg een voorbeeldbundel van 106 liederen, waarvan 65 uit het Liedboek voor de kerken. Toch gaf deze GS geen opdracht om het Liedboek als uitgangspunt van de uitbreiding te nemen, dat hebben de deputaten kerkmuziek zèlf gedaan. Zij schrijven in bijlage 16 GS Leusden onder 4b: “Het rapport van Studiedeputaten Eredienst wees ons in deze richting door als voorbeeldbundel een selectie liederen uit het LvK op te nemen (zie in hun rapport bijlage A: Inhoudsopgave van de bundel ‘106 gezangen’).

Ook onze opdracht om zo mogelijk aan te sluiten bij de werkzaamheden voor het Liedboek-2000 wees ons in de richting van het LvK.” Zo kwam het deputaatschap op de GS Leusden 1999, zonder dat de GS hierom nadrukkelijk gevraagd had, met een enorme selectie van 255 liederen uit het Liedboek voor de kerken (art.

59, 60, besluit 1). Deze verzameling op interkerkelijke basis en voortkomend uit een valse oecumene, was op de GS Kampen 1975 echter reeds als zodanig afgewezen.

3. De keuze voor dit Liedboek werd door het deputaatschap vooral verdedigd door te stellen dat het Liedboek “de hoofdstroom van de kerkliedgeschiedenis vertegenwoordigt”. Deze hoofdstroom loopt echter in de Hervormde Kerk, de Kerk met leervrijheid in een interkerkelijke samenwerking met andere kerkgenootschappen die door ons niet als ware kerk zijn erkend, mede omdat ze de belijdenis van de kerk niet onderschrijven en vrijheid van dwaalleer kennen. Het is onbegrijpelijk dat daar toen in het eerste stadium niet op gewezen is. Ook hier is de hoofdstroom als brede weg, juist de weg van de valse profetie (Matt. 7:13-16). 

4. De GS Leusden 1999 stelde in art. 60 t.a.v. het toetsen van aangeboden gezangen dat de kerkleden alleen nog kunnen reageren aan het adres van de deputaten en wel vnl. op de hoofdlijnen. Daarmee perkte zij het recht en de plicht tot toetsen in, terwijl dit juist kenmerk van de ware gereformeerde kerk is, dat als eigenschap van het ambt aller gelovigen is gegrond op Gods Woord. ( (Joh. 10:4, Matt. 7:15,16, Thess.5:21, Rom 16:17,18, Kol. 2:4,8, 1 Joh. 4:1).

Bovendien blijkt dat deze GS in art. 59 (Besluit 2) 121 geselecteerde gezangen in eerste lezing goed te keuren en vrij te geven voor gebruik in de erediensten, terwijl ze van deze gezangen slechts enkele inhoudelijk heeft getoetst. Er is wel over het vrijgeven gestemd ter wille van het benodigde brede draagvlak, maar eventuele bezwaren zijn inhoudelijk niet ter tafel gekomen.

Desondanks worden deze liederen vrijgegeven aan de kerken.

Ook de GS Zuidhorn hanteert het criterium van het draagvlak door alleen liederen (uit Liedboek of andere bronnen) vrij te geven, die 75% van de stemmen halen (art. 80). Het draagvlak komt in belangrijke mate in de plaats van Schriftuurlijke betrouwbaarheid. Zie ook art. 89, besluit 8, waarin de deputaten worden verzocht met nieuwe gezangen vooral rekening te houden met de gevoelens en het draagvlak binnen de kerken.

5. Door zoveel liederen aan de kerken aan te bieden zonder voorafgaande grondige toetsing, is de

GS Leusden ernstig tekortgeschoten m.b.t. haar opdracht verwoord in art. 67 K.O.

6. Hierdoor kwam het gebruik van de Psalmen in de eredienst onder druk te staan. GS Kampen 1975 had t.a.v. een te aanvaarden nieuw gezang gesteld “het lied moet een waardevolle aanvulling op de Psalmen zijn en mag niet leiden tot onderwaardering van de Psalmen”. Deze uitspraak dient in het licht gezien te worden van GS uitspraken uit het verdere verleden, waarbij steeds op het gevaar van overvleugeling van de psalmen door gezangen was gewezen.

In de reformatorische kerkzang (1578) waren er naast de berijmde psalmen slechts enkele andere liederen. Deze betroffen voornamelijk schriftberijmingen of gebaseerd op samenvattingen uit de bijbel, zoals de 12 artikelen.  De GS Dordrecht van 1618-1619 stelde in art. 69 van de kerkorde:
“In de kercken sullen alleen die 150 Psalmen Davidis, de thyen geboden, het Vader onse, de twaalff articulen des gelooffs, de loffsanghen Mariae, Sachariae, Simeonis gesonghen worden; `t gesangh O Godt, die onse Vader bist etc. wort in de vrijheijt der kercken ghestelt, om het selve te gebruijcken ofte na te laten. Alle andere ghesangen zal men uijt de kercken weeren, en daerder eenighe alrede ingevoert zijn, zal men deselve mette ghevoegelykste middelen afstellen”.

Eeuwenlang zong dus de kerk de 150 psalmen en de 7 gezangen. Een morgen- en een avondzang werden door de drukkers toegevoegd. Dus in totaal 9 gezangen.  Pas op de GS Arnhem (1930) werd besloten: “De bestaande bundel (…) uit te breiden met eenige berijmde of onberijmde Schriftgedeelten of liederen, die zich aan de Heilige Schrift ten nauwste aansluiten, om den kerken te worden aangeboden ten gebruike inzonderheid op de christelijke feestdagen, op de dagen die bestemd zijn voor de herdenking van het lijden en sterven van Christus, bij de bediening van de sacramenten, de bevestiging van ambtsdragers en huwelijksbevestigingen”.  

Op de GS Middelburg (1933) werd nog eens nadrukkelijk gesteld: “Dat we voor de gewonen eredienst genoeg hebben aan de psalmen. Deze geven op onnavolgbare wijze weer wat er omgaat in de ziel dergenen die den Heere vreezen”. 

In grond 4.1 bij besluit 1 van art. 56 van GS Leusden wordt echter zomaar gesteld: dat de bovengenoemde richtlijn van Kampen niet een grens aan het totaal aantal gezangen in de bundel stelt.  De kerkgeschiedenis leert echter dat het waarderen van de Psalmen als van God gegeven, steeds een verdere aanvulling met gezangen heeft ingeperkt. Er worden door de GS geen overtuigende argumenten gegeven waarom dit voor onze tijd anders zou moeten zijn.

GS Leusden 1999 heeft de bovengenoemde uitspraak van Kampen vervallen verklaard, wat door Zuidhorn 2002/2003 werd bekrachtigd (art. 83, besluit 2). Art. 89, besluit 11, van GS Zuidhorn, waarin deze GS wil stellen dat de Psalmen voorop moeten blijven gaan, is niet in overeenstemming met de praktijk van vele plaatselijke liturgieën.  Maar bovendien hebben deze GS en de voorafgaande GSen, er juist heel actief aan meegewerkt om door het aannemen van een overweldigende en nog steeds toenemende hoeveelheid gezangen, de Psalmen terug te dringen in eredienst en geloofsleven.

7. GS Leusden art. 58, besluit 3 stelt voor het selecteren door deputaten en het beoordelen van de selectie door de generale GS de volgende algemene criteria vast; deze criteria komen in plaats van de tot nu toe gehanteerde richtlijnen van GS Kampen 1975 en de criteria van GS Berkel en Rodenrijs 1996 (deputaten zullen de volgende generale GS dienen met een evaluatie van de hantering van deze criteria in de praktijk):

1.  een goed kerklied is geschikt om te functioneren in een liturgische context, waarbinnen Gods woorden en daden het centrum vormen;

2.  een goed kerklied is inhoudelijk in overeenstemming met de Schrift;

3.  een goed kerklied wordt wat betreft de taalkundige en muzikale vorm gekenmerkt door stijl en kwaliteit. Het kent een goede woord-toon-verhouding. Het is bruikbaar en toegankelijk voor mensen uit de huidige tijd en cultuur; …

ad 1. In het eerste criterium komt een visie rond de eredienst naar voren, waarbij niet de prediking van het Woord van God, maar de woorden (kleine letter!) en daden van God als centrum worden aangemerkt. In het studierapport deputaten Berkel 1996 staat “Het lied kan functioneren als een amen-zeggen op de lezing (dus: een belijdende functie). Het kan echter ook functioneren als een soort gezongen schriftlezing, waarvoor met name de berijmde psalmen en andere berijmingen van Schriftpassages in aanmerking komen.” Zo wordt het Woord van de HERE vervangen door het gezongen en geparafraseerde Woord of zelfs door een vrij lied dat dwaalleer kan bevatten. 

ad 2. Het criterium dat een goed kerklied in overeenstemming met de Schrift moet zijn is door de GS en de deputaten ontkracht door subjectieve invulling en welwillendheid naar de dichter. GS Zuidhorn (art. 83, besluit 1) stemt weliswaar toe dat een lied ook i.o.m. de belijdenis van de Kerk moet zijn, maar vindt het niet nodig om dit als criterium toe te voegen! Deze binding is kennelijk teveel gevraagd. Zo wordt echter de weg naar het subjectivisme ingeslagen: degene die het kerklied leest of zingt bepaalt of iets schriftuurlijk is.

ad 3. In een lied is een criterium voor duidelijkheid en ondubbelzinnigheid heel belangrijk om dubbele bodems te vermijden, met name als deze vanwege interkerkelijkheid bewust zijn ingebracht (Fil. 1:9 , 1 Tim 6:5, Jes. 32:4, Ps. 12, Spr. 8: 8,9). Dit criterium wordt node gemist, maar wel “bruikbaarheid voor mensen uit de huidige tijd en cultuur” wordt als criterium aangevoerd.  

GS Zuidhorn heeft al deze bezwaren (ad 1-3) van de hand gewezen (art. 83). 

8.  Een groot aantal door de GS Leusden 1999 geselecteerde liederen uit het Liedboek betreft berijmingen van of naar Schriftgedeelten. Bij de selectie van deze liederen ontbreekt echter het criterium van GS Hattem 1972 (Acta Hattem 1972: art. 171) t.a.v. het berijmen van Schriftgedeelten ontbreekt in de richtlijn van Leusden (art. 58 besluit 3).

Deze richtlijn luidde: “Bij berijmde schriftgedeelten mag getrouwe weergave van de tekst niet worden geïnterpreteerd als: het in dezelfde exacte volgorde laten opeenvolgen van de elementen van de tekst, maar ook moet samenvattend onderzocht worden of de in de tekst als geheel gegeven inhoud op verantwoorde wijze doorkomt.”.

De GS Zuidhorn besluit in art. 83 besluit 2, een voorstel om dit criterium op te nemen, af te wijzen met als grond: de tekst is “geen inhoudelijke aanvulling van de criteria”. 

9. Op de GS Zuidhorn 2002/2003 werden veel bezwaarschriften ingediend tegen de tekst van de door GS Leusden vrijgegeven 121 liederen van het liedboek (GS Leusden art. 59). Veel van de aangewezen bezwaren betroffen dubbelzinnige passages, of passages waarin aanwijsbaar Gods Woord tekort werd gedaan.

Hieronder volgt een groot deel van de liedboekliederen waartegen onderbouwde bezwaren werden aangevoerd. 

1.  De leer van de alverzoening (alle mensen worden zalig; er is dan geen plaats meer voor

Gods verkiezing en verwerping) werd ontdekt in de volgende liederen: 1,6,23,34,63,90,91,106,119,225, 301,319,393,408,434

2.  De gedachten aan een vrederijk/paradijs dat op déze aarde wordt verwacht (i.p.v. na de jongste dag met Gods gericht, op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde) werd teruggevonden in de tekst van de volgende liederen: 23,42,281,284,285,287,294,380,444

3.  De idee van een bevrijdingstheologie (solidariteit met verdrukten i.p.v. de antithese tussen vrouwenzaad/kerk en slangenzaad/wereld) werd aangetroffen in: 9,23,28,39,43,300 

4.  Het weglaten/verdoezelen/afzwakken van 

– het offer van Christus als verzoening door voldoening in: 75,147,148,152,203,221,225,402,435, 460,473,481  

– zonde, verbondsontrouw, antithese en goddelozen, werd teruggevonden in: 6,9,14,34,43,90,113,115      

– het oordeel als tweede dood, poel des vuurs in: 6,34,39,62,78,113,115,169,288,300

– verkiezing, verbond, leven uit de beloften in: 15,20,21,90,107,271,287,320,325,336,434

– de goede strijd van het geloof in: 78,87,188,300,335,336,429,442  

5. Dichterlijke vrijheden, die wij niet geoorloofd achten:

– mystieke taal of vreemde poëzie die niet aansluit bij Schriftuurlijke gegevens in: 6,106,114,119,122,135, 189,201,221,234,252,253,368,387,442,448,473       

– eigen beelden of verbanden van de dichter, die niet zijn terug te voeren op de Schrift, in: 1,6,30,34,43,92, 103,114,126,147,148,169,264,290,320,382,457,459,479   –

–  benamingen voor God, die ons niet in Zijn Woord worden aangereikt, in: 75,125,240,241,253,294,319, 408, 444,456,457,477

6. Magisch denken zonder Schriftuurlijke basis:

–  magische elementen die in sacramenten worden aangewezen komen voor in: 87,119,335,356,358,360 

– magisch herbeleven van heilsfeiten uit het verleden in: 6,122,124,126,127,135,139,140,147,189,240

7. Weglaten van passages uit Schriftgedeelten bij de berijming ervan, waardoor tekortgedaan wordt aan de boodschap van Gods Woord werd opgemerkt in: 20,21,34,39,63,78,87,92,107,113,397

Deze bezwaren zijn door GS Zuidhorn geïnventariseerd, en van een beoordeling voorzien.

Vrijwel alle bezwaren werden afgewezen. Alleen de bezwaren tegen de liederen 113,147,264 en 301 werden toegestemd (Acta Zuidhorn, art. 86).

De wijze waarop GS Zuidhorn is omgegaan met de beoordeling aan de Schrift, wekt al direct bij het rapport in de acta t.a.v. Lied 1, ernstige bezwaren op: Lied 1: “Tegen lied 1 is het bezwaar ingediend dat hier de leer van de alverzoening bezongen wordt. Ook vindt men het duidelijk barthiaans. Ertegen ingebracht wordt, dat je het lied moet lezen in het licht van Psalm 104. Het zou jammer zijn als het lied waarmee het liedboek opent, niet op de lijst komt. Het voorstel van de commissie om dit lied te verwijderen wordt verworpen met 8 stemmen voor.”

10. Bij de keuze van liederen wordt door GS Zuidhorn ook uitgegaan van de begeerde interkerkelijke eenheid met Christelijke gereformeerde kerken en Nederlands Gereformeerde kerken en de Gereformeerde Bond binnen de Nederlands Hervormde Kerk. Art. 89 besluit 7 wijst met dat doel op het belang van aansluiting bij de gezangen die door deze kerkgenootschappen zijn aanvaard.

11. Ook bij de selectie van gezangen uit andere bronnen dan het Liedboek heeft het ontbroken aan een goede toetsing en zijn dezelfde criteria gebruikt als bij de gezangen uit het liedboek (GS Zuidhorn, art. 80, 89).

Besluit
De Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, bijeen op 15 oktober 2005  te Mariënberg, spreekt uit dat de genoemde besluiten van de GS Ommen 1993, Berkel en Rodenrijs 1996, Leusden 1999 en van Zuidhorn 2002/2003 t.a.v. gezangen en kerkmuziek vervallen zijn en dat dus de kerken daaraan niet meer gebonden zijn.

Gronden
1. Vele gezangen uit het Liedboek voor de kerken, die afwijken van Schrift en belijdenis, zijn ondanks ingebrachte bezwaren door de GS vrijgegeven voor gebruik in de eredienst. 

2. In de kerk zingen we voor Gods aangezicht, de woorden die we daarbij in onze mond nemen, moeten de HERE aangenaam zijn (Fil. 4:8,9,18; Rom. 15:16-19, Hebr. 12:28).  Ook in onze geestelijke liederen moeten het woorden zijn die passen bij de heiligheid van de HERE, dezelfde woorden waarmee we elkaar terecht kunnen wijzen en vermanen met de gezonde leer (Kol. 3: 16,17;1 Petr. 4:11).

Elk offer, ook het lofoffer in onze liederen dient gaaf en onbesproken te zijn (Fil. 2:12-18). Ook het lied als lofoffer is de vrucht van onze lippen, die wij net zoals onze belijdenis vrij willen houden van onzuiverheid en bederf (Hebr. 13:15).

3. Van liederen waarin werd aangewezen dat ze niet ondubbelzinnig naar Gods Woord zijn, maar waarin dwaalleer meekomt of verpakt zit, zegt Gods Woord, dat we ze niet mogen zingen (Rom.14:23, Titus 2:7,8). 

4. Het gevolg hiervan is een gemeentezang waarin de eendracht van het loven en prijzen van de HERE verbroken is (Rom. 15:4-6; Gal. 1:8; Hebr. 13:15; 1 Petr. 4:11).

5 Terechte bezwaren in vele revisieverzoeken tegen de keus van het Liedboek welke dwaalleer uit de kerken van herkomst bevat, tegen de gebruikte selectiecriteria, de specifieke inhoud van deze liederen, en het zeer grote aantal waardoor de Psalmen werden verdrongen, werden vrijwel alle verworpen. Daarmee is deze zaak door twee opeenvolgende synodes definitief besloten en aan de kerken opgelegd. Verder appèl in de kerkelijke weg werd niet meer mogelijk.

HUWELIJKSFORMULIER

GS Mariënberg 2005, art. 25 Eb. Acta pag. 40-42

Overwegingen
1. De GS Berkel 1996 besluit een nieuw huwelijksformulier aan de kerken voor te leggen ter toetsing. In dit nieuwe formulier wordt o.a. niet meer gesproken over de straf van de Here op echtbreuk.

De verwijzing naar Genesis 1: 28 komt niet meer voor in de tekst en de termen gezag, leiden en gehoorzaam toevertrouwen zijn verdwenen.

2. De GS Leusden 1999 stelt een definitief huwelijksformulier vast, na aanvaarding van een aantal wijzigingen op voorstel van deputaten. Het grote kwaad van de echtscheiding wordt veel duidelijker belicht dan in het voorstel van Berkel.

In het formulier wordt m.b.t. de positie van man en vrouw in het huwelijk veel nadruk gelegd op het gelijk zijn in Christus en op het recht doen aan elkaars positie als het gaat over het hoofd zijn van de man zoals Christus hoofd is van zijn gemeente.

3. De GS Zuidhorn acht het onbewezen dat de verscheidenheid van de man en de vrouw in het huwelijk voorop staat in het geheel van de Schriften.

Besluit 1:
De Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, bijeen op 15 oktober 2005 te Mariënberg, spreekt uit dat de genoemde besluiten van de GS Berkel en Rodenrijs 1996, Leusden 1999 en Zuidhorn 2002/2003 t.a.v. het huwelijksformulier vervallen zijn en dat dus de kerken daaraan niet meer gebonden zijn.

Besluit 2:
De Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, bijeen op 15 oktober 2005 te Mariënberg, spreekt uit dat de kerken gebonden zijn aan het huwelijksformulier zoals dat is opgenomen in het Gereformeerd Kerkboek, vastgesteld door de GS Heemse 1984/1985.

Gronden
1. In het voorstel voor een nieuw formulier van de GS Berkel 1996 wordt onvoldoende recht gedaan aan wat de Bijbel leert over – het tweede doel van het huwelijk (Gen 1:28), – de toorn van de Here over het verbreken van zijn geboden (echtbreuk) (Gen 2:23; Mal. 2:13-16; Matt 5: 32; Matt 19:6b; Joh. 20:7; Hand. 20:7; 1 Kor. 7:2; Hebr. 4:8-10) en – de door de Here al bij de Schepping ingestelde verhouding tussen man en vrouw met de daaruit voorvloeiende onderscheiden taken (Spreuken 31, 1 Kor. 11:7-10; 1 Kor. 14:34; Ef. 5:22- 33; 1 Tim 2:13-15; Titus 2:4; 1 Petrus 3:1-7)

2. Hoewel de tekst van het huwelijksformulier van GS Leusden 1999 op punten een verbetering is, en de onverbrekelijkheid van het huwelijk sterker benadrukt is, wordt nog steeds op het belangrijke punt van de verhouding tussen man en vrouw, en hun onderscheiden taken, geen goed Bijbels onderwijs gegeven. In een samenleving waarin de gelijkheid tussen man en vrouw een onschriftuurlijk streven is, wordt op dit punt niet de wacht betrokken bij de secularisatie van de kerkleden.

3. GS Zuidhorn neemt nog duidelijker afstand van het onderwijs van de Schriften m.b.t. de verscheidenheid tussen man en vrouw in het huweli
                                                                                                                     (word vervolgd)

Pdf maken (via Printen)