LEZEN: Openb. 11:1-6: … En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zijn zullen, in rouwkleding gekleed, twaalfhonderdzestig dagen lang profeteren. … En zij hebben macht …
Profeteren is opdracht van de kerk. Wat is haar positie? Die wordt hier beschreven voor de hele periode van hemelvaart tot wederkomst: 1260 dagen, dat is 42 maanden, drie en half jaar, tijd, tijden en een halve tijd, zie ook 12:6. Heel die tijd is de kerk als een belegerde stad. Zij is de lijdende kerk (vergelijk ook 1:9), maar tegelijk geroepen om te getuigen, te profeteren.
In een vijandige wereld is ze veilig, want God is met haar (Ps. 46)! Daarbij is er de antithese: als kerk is ze afgezonderd, afgegrensd, in het isolement. De kerk is er ook niet in de eerste plaats voor de wereld (zoals D. Bonhoeffer beweert), maar om God te aanbidden en (vs. 1).
Hierop wijst ook het reukofferaltaar in de tempel van God. De voorhof (vs.2) is de plaats van “christenen” die niet bij de kerk horen, zij worden niet beveiligd (zie ook art. 28 NGB), maar worden door de wereld opgeslokt. We zien dit gebeuren bij de verwereldlijking van veel afgedwaalde kerken.
Wat is de heilige stad? Dat was voorheen Jeruzalem waar de tempel stond. Daarmee kan de samenleving worden vergeleken die eens christelijk was: ze wordt uiteindelijk goddeloos, vertrapt door de heidenen. Dat gaat alsmaar door tot aan de wederkomst: 42 maanden.
Toch heeft de kerk een taak naar buiten: zij moet getuigen! God zet zijn dienaars in; de leden van Zijn kerk die het ambt aller gelovigen hebben, worden Zijn profeten. Tegelijk zijn ze ook getuigen: ze roepen op tot bekering.
De kerk wordt vergeleken met de twee olijfbomen die voor Gods aangezicht staan (Zach. 3). De olie staat voor de werking van de Heilige Geest, Die hen doet getuigen van de waarheid van het evangelie. Die doet hen ook waarschuwen voor de gerichten van de Heere.
Zoals Mozes en Elia deze gerichten afriepen bij afval, zo is het getuigenis van de kerk in de wereld. Wie dat verwerpt komt ten val.
Hoe weet je dat God met je is?
Zingen: Ps. 46:1,4
