Lijden aan de kerk – 4

Lijden aan de kerk, zoals we dat in de vorige artikelen hebben beschreven, is lijden in het ambt van alle gelovigen. En dat te beseffen is troostrijk en bemoedigend. Want dat betekent dat het lijden is in de dienst van Christus. Ten diepste lijden om Zijn Naam.

Zaak van Christus
Dat zijn geen te grote woorden. Als we oprecht zorg en verdriet hebben over ontwikkelingen en besluiten in de kerk die niet goed zijn, dan gaat het om de zaak van Christus.

En Christus gaat verder met Zijn kerk. Hoe dan ook. Tot de Jongste Dag. Dat is de grote zekerheid die we hebben. We kunnen moeite ervaren in het kerkelijk leven. We kunnen ons machteloos voelen. Maar: het hangt niet van ons af! Ook als we slecht behandeld worden, als onze zorgen en bezwaren niet serieus genomen worden, ook als we niet weten wat we verder moeten doen: Christus weet hoe het verder moet. Het Hoofd van de kerk blijft zijn kerk leiden naar de toekomst. Naar de jongste Dag. Naar de eeuwige heerlijkheid. Wàt mensen ook zeggen en doen!

Overgave
Dat is de troost in het lijden aan de kerk.
En willen we ons getroost weten, dan betekent dat ook dat we ons aan de leiding van Christus moeten overgeven.

Dat is moeilijk. Dat vraagt strijd. Strijd met onszelf. Dat vraagt zelfverloochening.
Overgave, van jezelf afzien, het jou aangedaan onrecht loslaten, en dat aan de Heere overlaten, dat ligt ons niet. Daarvoor zijn we nog te veel zondige mensen. We willen zelf iets doen. We willen recht ervaren. We willen dat het recht van de Heere zichtbaar is en blijft in de kerk.
Maar als we niets of maar weinig kunnen doen, als we geen kans zien om ervoor te zorgen dat het recht hersteld wordt, dan moeten we beseffen dat het ook niet echt nodig is, dat we dat zelf oplossen. . Christus zal er Zelf voor zorgen.
Als we op onze manier en op onze plaats, met de mogelijkheden die de Heere ons gaf, ons hebben ingezet, dan mogen we ook rusten. Dan mogen we geduldig en gelovig wachten op het werk van de Heere.

We gaan nog even terug naar Klaagliederen 3, waar we de artikelen mee begonnen. In de verzen 25 en 26 lezen we:

Goed is de HEERE voor wie Hem verwacht,
voor de ziel die Hem zoekt.
Goed is het te hopen en stil te wachten
op het heil van de HEERE.

Verootmoediging
Er is nog meer te zeggen over lijden aan de kerk. Als er zorgen en moeiten komen in de kerk, dan komen die ook van de Heere. Dat geloven en belijden we. (Heidelbergse Catechismus, Zondag 11, vr/antw. 27). Dat is de hele Bijbel door ook zichtbaar.
Dat maakt niet alleen dat we zaken kunnen overgeven maar dat betekent ook dat we ons moeten verootmoedigen. Dat we ons voor de Heere klein moeten maken. Dat we daarbij moeten beseffen dat verkeerde beslissingen in de kerk, dat het tekort doen aan het recht van de Heere, ook ònze verkeerde beslissingen zijn. Dat het ook òns onrecht is, dat gedaan wordt.

Ja, dat klinkt misschien een beetje vreemd. We hebben toch getuigd en ons verzet en geklaagd? Ja, en toch zijn we ook mee verantwoordelijk. Want we maken deel uit van de kerk. We zijn deel van het verbondsvolk.
In de verzen 38 en 39 van Klaagliederen 3 horen we: “Komt niet uit de mond van de Allerhoogste voort het kwade en het goede? Wat klaagt dan een mens die leeft? Laat ieder klagen over zijn zonden!”

Wij
Als we lijden aan de kerk, dan moeten we ons klein maken. Ook al zegt ons gevoel misschien dat we geen schuld hebben. Want we hèbben mee schuld. Moeilijk om dat te belijden?

“Verootmoediging betekent niet alleen een gevoel. Ja, we zullen ons zeker bij onze verootmoediging voor de Heere klein en schuldig moeten vóelen. Maar naast een gevoel betekent het vooral ook een concreet en van harte schuld belíjden. Concreet belijden van datgene waardoor wij de Heere hebben bedroefd, waarmee we Hem hebben vertoornd. Welke zonden door ons zijn begaan.

                ………………………………….

Heel opvallend is dat de dichter wanneer hij spreekt over de zonden van de kerk, hier niet spreekt over zij. Zij hebben dat gedaan. Nee, wij. Wij hebben overtreden. De gelovige dichter voelt zich één met de zondigende kerk. Hij heeft ook de straf aan den lijve gevoeld. Ook als gelovige. Maar verbonden met het volk voelt hij zich ook schuldig aan de zonden van het volk. Net als Daniël die in zijn gebed aan de Heere in Dan. 9 ook de zonden van het volk belijdt als gemeenschappelijke zonden.” [1]

Genade
Het mag dus nooit “wij” en “zij” worden. Dat gebeurt wel zomaar. Heel gemakkelijk. Vaak zonder dat we het beseffen. Maar daar moeten we voor waken.
Allen zijn we zondige mensen. Allen hebben we mee schuld aan de tekortkomingen, aan de verblindheden, ja, aan de zonden van de kerk, als we die zien en ervaren.

“Zo wil Hij (de Heere, TLB) elke vorm van hoogmoed voorkomen. De hoogmoed dat niet meer naar de eigen zonden, de eigen bijdrage aan de afval en nalatigheden wordt gezien. De hoogmoed dat je jezelf beter acht dan de ander. Niet zij maar wij hebben gezondigd, ook als wij door de genade van God geopende ogen en oren mogen hebben. Want juist ook door die genade van God kan er van onze kant weer ware verootmoediging zijn.“[2]


[1] Citaat uit een preek van ds. S. de Marie over Klaagliederen 3.
[2] Idem.

Pdf maken (via Printen)