LEZEN: Jes. 26:1–27:1 … Wij hebben een sterke stad. … Vertrouw op de HEERE tot in eeuwigheid want de HEERE HEERE is een eeuwige rots …
Eerst klinkt in vers 1-6 een lied over de toekomst: na alle vijandelijkheden komt er een sterke stad van volkomen vrede: Het nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalt van boven waar alleen de rechtvaardigen, de ware gelovigen die alleen op de HEERE vertrouwen, mogen binnengaan. De tegenstanders zullen dan Gods oordeel ondergaan.
Vanuit dat vooruitzicht is de oproep van vers 7 om de weg van de rechtvaardige te gaan. Dat is de weg van het geloof waarop de HEERE hem voor struikelen behoedt, waardoor hij het doel van het eeuwige leven kan bereiken.
Als God Zijn gerichten doet komen, die ook gelovigen treffen, zullen deze Hem extra zoeken en op Hem hopen (vs.8,9). Zij kennen dan wel slapeloze nachten, maar zoeken daarin hun HEERE met heel hun ziel. Ze beseffen Wie God is, gedenken Zijn grote daden en verlangen naar Hem. Gods gerichten zijn immers bedoeld om eenieder tot bekering te roepen.
De meeste ongelovige tegenstanders van de kerk zien dat niet in. Ook ongelovigen in de kerk, die toch ook mogen ervaren wat Gods goedheid is, komen door Gods beproeving lang niet altijd tot bekering (vs.10). Terwijl zij zelfs het goede van God horen en meemaken, gaan ze door met zondigen en verachten ze God. Zij hebben geen oog voor Gods machtige daden en maken het de kerk moeilijk.
Jesaja roept dan of het vuur van Gods ijver Zijn tegenstanders zal verteren (vs.11v). Dat houdt het eeuwig oordeel in over deze tegenstanders. De roep van Jesaja doet denken aan de roep van de zielen onder het altaar in Openb. 6:10: “Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt u ons bloed niet die op de aarde wonen?”
Tenslotte bidt Jesaja in vers 15v voor de tijdelijke verlossing van de gelovigen, die uitloopt op de volkomen verlossing met ware vrede en de opstanding van het lichaam (vs.19!) en daarnaast Gods gericht dat reikt tot Zijn eeuwig eindoordeel.
Leven wij in dezelfde spanning als Jesaja aangeeft?
Zingen: Ps. 76:1,3
