Na de Vrijmaking van 1944
In de vorige aflevering zagen we dat de standpunten die in bevindelijke en evangelische kerken naar voren worden gebracht, wortels hebben in het gedachtengoed van vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie en de puriteinen. Die standpunten hebben ook te maken met een visie op het verbond, met name de verhouding tussen het oude en nieuwe verbond. Daarbij hoort ook de visie op de heilshistorische voortgang in de Schrift. Als je de overgang en voortgang van oude naar nieuwe verbond onvoldoende in rekening brengt, heeft dat grote gevolgen voor de uitleg van profetieën die betrekking hebben op kerk en Joodse volk.
Rond de vrijmaking van 1944 is er veel aandacht geweest voor de betekenis van het verbond, vanwege de bestrijding van opvattingen van A. Kuyper en anderen. Hierbij kwam ook meer Bijbels zicht op de heilshistorische ontwikkeling van het verbond. Zie bv. de artikelenreeks van prof. H.J. Schilder “Oud en nieuw” De Reformatie jg. 37 (1962), de boekjes uit de RB serie van ds. J.R . Wiskerke: “Volk van Gods keuze” (1955), “Volk van Gods roeping” (1966), “Geroepen volk” (1967). En van ds. Joh. Francke: “Lichtende verbintenissen” (1985).
Tegen die achtergrond is het te begrijpen dat in de Gereformeerde Kerken na de Vrijmaking van 1944 met veel aandacht voor de betekenis van het verbond, een andere visie op het Joodse volk en de staat Israël wordt gehoord dan in bevindelijke kerken. Er blijven dan ook verschillen bestaan, met name m.b.t. een al dan niet grote bekering van het Joodse volk vlak voor de Wederkomst.
Hieronder volgt een aantal recenter gepubliceerde standpunten.
Dr. P. van Gurp (2013)
Eerst van dr. P. van Gurp (“Onze houding tegenover Israël/Joden met betrekking tot evangeliatie/zending”, Bijbelstudiebond DGK, 2013):
“Israël werd apart als volk van God uitverkoren. Met welk doel? Om het heil te bewaren. In een wereld die helemaal zich overgegeven had aan de afgodendienst, had de HEERE één klein plekje afgezonderd, het land Kanaän. Daar stond de tempel – de enige plek grond die nog heilig was. Maar dat was tijdelijk. Israël moest de Christus voortbrengen. En dan zou het heil breed uitstromen over de hele wereld. In dat heil zou ook Israël mogen delen. Zelfs als eerste mocht Israël daarin delen. Maar voortaan zou dat heil voor de hele wereld zijn. Daarvan hebben de profeten steeds weer getuigd.
Dus mogen we zeggen, dat Gods kerk er altijd geweest is, vanaf het paradijs. Israël was maar tijdelijk. En als Christus gekomen is en het offer heeft gebracht, heeft Israël zijn taak volbracht. Dan gaat God terig naar het oorspronkelijke plan: het gaat Hem immers om de hele wereld!”…
“God heeft zijn volk niet verstoten. Hij blijft naar hen omzien. Het is wel als verbondsvolk verworpen. God komt niet terug op zijn plannen, Hij zet de klok niet terug. Maar ze mogen toch nog weer terugkomen. Het is niet zo: eens verworpen, altijd verworpen. Het is met de Joden niet zoals het vroeger met de heidenen was, die moesten Gods getuigenissen en zijn verbondsgeheimen missen. Zo is het met de Joden niet. Zij mogen hun plaats innemen in het volk dat de vervulling is van Abraham en Mozes en de profeten: de gemeente van Jezus Christus.
Voor ons betekent het eerst, dat wij luisteren naar de vermaning van de apostel en niet eigenwijs moeten zijn. Wij moeten niet zeggen: wij zijn in de plaats van Israël gekomen en nu is het een afgedane zaak met Israël. Want dat is niet waar.”
Prof. dr. J. Douma (2009)
In 2009 hield prof. J. Douma een aantal lezingen n.a.v. zijn boekje “Christenen voor Israël”? Ze staan te lezen op de site van Ernst Leeftink. Er staat o.a.:
“Het oude Testament moeten we lezen in het licht van het nieuwe. We kunnen niet doen alsof Christus nog niet gekomen is en alsof wij over allerlei oudtestamentisch beloften zonder het door Jezus Christus verrichte werk kunnen nadenken.”…
“Het Nieuwe Testament maakt ons echter duidelijk dat, als we Golgotha achter ons hebben, er geen te bouwen tempel meer voor ons is. Dat laat de Brief aan de Hebreeën goed zien. De Bijbel lezen en de Messias verwachten zoals de rabbijnen dat doen , is een streep halen door wat Paulus schijft over de Joodse Lezing van het Oude Testament in 2 Kor, 3:15 …” (https://ernstleeftink.com/2024/04/13/over-israel-het-chiliasme-en-het-duizendjarig-rijk).
Ds. F. Bijzet (2019)
In 2019 schreef ds. F. Bijzet in Nader Bekeken jg 26 pag. 322-325 (later opgenomen in Weerklank van jan. 2025) o.a.:
“We lezen bij Paulus vooral over een ‘diepbedroefd’ zijn en ‘door verdriet gekweld’ worden, wanneer het gaat over zijn volksgenoten, zijn verwanten met wie hij zijn afkomst deelt (Rom. 9:2-3). Omdat ze Gods roepstem in het evangelie over Messias Jezus Christus niet willen geloven, maar hooghartig afgewezen hebben (10:16; 20-21). Ze begrijpen niet Gods vreemde vrijspraak van zondaars voor wie gelooft dat zijn hemelse Zoon Jezus jouw schuld al voor jou gedragen heeft. Maar ze proberen zelf vrijspraak te verdienen door een goed leven (10:3).”
“Daarom noemt Paulus Israël niet ‘Gods oogappel’, maar ‘vijanden van God en van het evangelie’ (11:28). Zijn ongelovige volksgenoten zijn mensen die Gods goedheid, zijn geduld en verdraagzaamheid verachten, omdat ze niet beseffen dat zijn goedheid hen tot inkeer wil brengen. Doordat ze zo hardleers zijn en niet tot inkeer willen komen, maken ze de straf waartoe God hen veroordeelt alleen maar zwaarder (2:4-6). Want Gods straf treft in de eerste plaats de Joden (2:9)! Ja, de apostel weet dat de Joden die Jezus als de Christus blijven verwerpen en daarom de christenen vervolgen, bezig zijn om de maat vol te maken, zodat Gods verdiende oordeel over hen nu onomkeerbaar geworden is. Ze móeten zich nu ook maar tot het uiterste verharden. Dan móeten ze Satan maar blijven dienen in zijn tegen-werking van Gods verlossingswerk. Voor straf (1 Tess. 2:14-16).”…
“Heeft God daarom voorgoed Israël de rug toegekeerd en is Hij met de christenen uit de heidenen een nieuwe weg gaan lopen? Lezen we bij de apostel Paulus een vervangingsleer?
Nee. … Paulus verkondigde dus geen vervangingsleer, maar een verbredingsleer. God bouwt in Christus niet een ander, een nieuw volk, maar Hij bouwt verder aan zijn al eeuwenoude geestelijke ‘Israël’. Vanaf Pinksteren uit Joden én heidenen. Zoals Hij al aan Abraham beloofd had (Gal. 3:8-9). Christenen uit Joden en heidenen vormen nu samen Gods ene volk ‘Israël’ (Ef. 2:11-22). Samen vormen ze Gods nieuwe tempel (1 Kor. 3:16-17; 1 Petr. 2:4-10).”…
“Maar schrijft Paulus in Romeinen 11:28-32 dan niet, dat het natuurlijke Israël ook (eens) gered zal worden, omdat God hen uitgekozen heeft en daarom is blijven liefhebben?
Komt er toch een massale bekering van het natuurlijke Israël dat altijd Gods uitverkoren verbondsvolk gebleven is, zijn oogappel? Nee. Paulus sluit zijn uitvoerige bespreking van de plaats van de Joden in Gods reddingsplan alleen maar af met datgene waarmee hij dit gedeelte van zijn brief ook was begonnen: God heeft niet totaal en finaal Israël de rug toegekeerd, om voortaan alleen met bekeerde heidenen verder te gaan. Geen ‘vervangingsleer’.”…
“Gods Woord leert ons, ja, Jezus Christus Zelf leert ons, dat Joden die Hem verwerpen als de Messias bij de Satan, de grote tegenstander van God, horen: Openb. 2:9 en 3:9.
Daarom mogen we de stichting van de staat Israël niet als een Godswonder bestempelen. Dit, en het ernstige streven van de orthodoxe Joden daar, om in Jeruzalem een nieuwe tempel van hout en steen te bouwen, is alleen maar een teken van hun verharding.
Waarnaar een christen niet met verwondering en verwachting, maar alleen maar met huivering kan kijken.”
Ds. M.A. Sneep (2024)
In 2024 gaf de Bijbelstudiebond van DGK het referaat van ds. M.A. Sneep uit zoals dit werd gehouden op de bondsdag van dat jaar onder de titel: “Kerk en Israël: beiden voorwerp van Gods ontferming”.
“Concluderend: Niet alleen onder de oude bedeling had het Joodse volk een bijzondere plaats. Met alle veranderingen die met de komst van Christus hebben plaatsgevonden, waardoor geldt dat binnen de christelijke gemeente, Jood en heiden dezelfde positie hebben, blijft Israël een volk dat niet met de andere volken gelijk kan worden gesteld. God is en blijft trouw aan Zijn eens gesloten verbond met Israël en aan de aan hen gegeven beloften en bedreigingen, zo blijkt voornamelijk uit het apostolisch onderwijs van Paulus.”…
“Het ingaan van de volheid van de heidenen geeft het tijdstip aan waarop de massale bekering van Israël plaatsvindt. Gezien de directe context valt dat laatste niet uit te sluiten. Een ieder die dat doet, zegt of schrijft te veel.”…
“Veracht de Joodse natie niet. Zijn wij als kerk onze oudste broer Israël vergeten? Of missen wij hem eigenlijk helemaal niet in God huisgezin? Rekenen wij er voldoende mee dat de genadegaven en de roeping van God onberouwelijk zijn?”
Tot zover de citaten. De volgende aflevering wordt een begin gemaakt met de behandeling van enkele Schriftplaatsen die van belang zijn bij dit vraagstuk: 1. Oud en nieuw verbond, 2. De tussenmuur afgebroken (Ef. 2), 3. En zo zal heel Israël zalig worden (Rom. 11), 4. Het duizendjarig rijk (Openb. 20).
(wordt vervolgd)
