De kerk en Israël 4

by S. de Marie | 22 maart 2025 06:00

Van oud naar nieuw

In de discussies over onze houding t.o.v. het Israël van onze tijd worden vaak teksten uit het Oude Testament naar voren gebracht. Ik wil hier bespreken tegen welke achtergrond beloften en profetieën met betrekking tot Israël moeten worden gelezen. Hoe moeten deze oudtestamentische profetieën en verbondsbeloften worden uitgelegd op een manier die recht doet aan wat God daarin wil zeggen? Je mag maar niet zo op de klank af citeren en toepassen. Het vraagt grote zorgvuldigheid. Voor het begrip “verbond” en de daarbij horende verbondsbeloften en verbondseisen verwijs ik graag naar de artikelenserie op deze website van br. T.L. Bruinius “Zie Ik sluit een verbond” in de rubriek ”Artikel van de week” https://www.bouwen-en-bewaren.nl/?s=sluit+verbond[1].

Een belangrijke zaak bij Gods verbond met Zijn volk is het verschil tussen oud en nieuw verbond en de overgang van oud naar nieuw. In het Oude Testament was Israël Gods enige uitverkoren verbondsvolk. Uit haar zou de Christus voorkomen als Het Nageslacht van Abraham (Matt. 1:1; Gal. 3:16) en de grote Zoon van David (Matt.1:1; Luk. 1:31,32). Zo was toen haar positie, hoe is die nu?  

Als we spreken over “verbond” en “verbondsvolk” in verband met het Israël van het Oude Testament, staat dat in verbinding met het genadeverbond dat al direct na de zondeval door God was ingesteld. In dat verbond stond en staat al direct de belofte van de Christus centraal. Hij zou als Het Vrouwenzaad verlossing brengen door Zijn overwinning op de grote tegenstander (Gen. 3:15).

Als vervolg daarop komt het volk Israël specifiek in beeld, wanneer de HEERE Zijn verbond sluit met Abraham, Izak en Jakob/Israël (Gen 15:13-16; 26:34; 28:13,14). Het was enkel Gods trouw aan Zijn verbond en Zijn liefde dat Hij Israël heeft uitverkoren (Deut. 7:6-8; 10:15). Tegelijk laat God blijken dat de verbondsbeloften alleen zijn voor hen die Hem liefhebben en Zijn geboden in achtnemen (Deut. 7:9,12). En zeker niet voor hen die God haten; Hij zal aan hen persoonlijk vergelding doen (Deut. 7:10).

Christus en de volken

Uit Israël komt tenslotte de Christus voort, in Wie alle beloften “ja en Amen” zijn (2 Kor. 1:20). Dat laatste betekent, dat al Gods beloften van het genadeverbond in Jezus Christus door Zijn verlossingswerk volkomen vervuld worden. Allen die in Hem geloven, Jood of niet-Jood – zijn het ware nageslacht van Abraham; alleen voor hen zijn de beloften (Rom. 4:11-17; 9:6-8; Gal. 3:7,9; 4:28).

Na de komst en het werk van de Christus op aarde, strekt Gods verbond zich vervolgens door Gods genade niet alleen uit naar Joden, die zich bekeren en in Christus geloven met hun kinderen, maar ook naar allen die “veraf zijn” en door God geroepen zijn om in Hem te geloven (Hand. 2:39). Die “allen” worden dan ook op en na de Pinksterdag opgeroepen om zich te laten dopen, om zo het teken en zegel van het nieuwe verbond te ontvangen en zich bij de kerk van Christus te voegen. 

Dat is op dat moment iets nieuws, maar was wel eeuwen tevoren door de HEERE Zelf aangekondigd aan Abraham. Op twee plaatsen in Genesis lezen we dit als de HEERE over Zijn verbond spreekt. Bij de roeping van Abram Gen. 12: “In u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden”. En opnieuw bij de naamsverandering van Abram tot Abraham. Daar wordt als reden voor deze naamsverandering genoemd: “Mijn verbond is met u. Ik zal u vader maken van een menigte van volken” (Gen. 17:4,5).

Beter verbond

Wat is het kenmerkende van het nieuwe verbond, waarmee het verschilt van het oude verbond? Allereerst een opmerking over de naam “nieuw”. Het gaat niet om een ander, geheel nieuw verbond. Het is geen vervanging van het oude verbond, maar een vervulling. Het nieuwe verbond is, zoals Hebreeën 8 zegt een “beter” verbond omdat het vergeleken met het oude op “betere beloften” steunt (Hebr. 8:6).

Die betere beloften zijn het volbrachte werk van Christus waardoor vergeving en vernieuwing wordt geschonken. Hij is Borg geworden van een zoveel beter verbond (Hebr. 7:22). Het oude verbond liep uit op afval van het volk met als straf de ballingschap. Maar door Christus en Zijn Geest kunnen verbondskinderen het betere verbond houden.

Het eerste verschil is dus dat het nieuwe verbond rust op het volbrachte werk van Jezus Christus, waarmee Hij verzoening en eeuwig leven heeft bereikt voor allen die in Hem geloven (Joh. 3:16,18). Bij Zijn bloed is er nu steeds opnieuw vergeving mogelijk. In dit volbrachte werk van Christus zijn ook de oudtestamentische offerdienst en alle ceremoniële wetten tot vervulling gekomen en daarom afgeschaft (Hebr. 8 en 9; art. 25 NGB).

Het tweede verschil is dat Christus Zijn Heilige Geest schenkt om te wonen en met Gods Woord te werken in alle ware gelovigen. Door Zijn werk in de wedergeboorte wordt hun geloof en de gemeenschap met Christus gewerkt en door dagelijkse vernieuwing versterkt. Door deze Geest wordt ook Gods wet in het verstand van de gelovigen gelegd en in hun verstand geschreven. Dat zal veel krachtiger gebeuren dan in de oude bedeling. Ze gaan, geleid door de Heilige Geest en met Gods Woord, daardoor heilig leven (vergelijk 1 Petr. 1:14-16; 2:9).

Israël    

Wat is dan nu de rol van Israël? Als volk is het niet meer Gods verbondsvolk zoals dat was onder het oude verbond. Het heeft als volk zelf Gods verbond verbroken. De Heere Jezus brengt dit onder woorden met:  Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en stenigt die naar u toe gezonden zijn, hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels, maar u hebt niet gewild!  Zie, uw huis wordt als een woestenij voor u achtergelaten (Luk.13:34,35a).

Toch wordt door Gods ontferming, zoals vanouds (Jes.1:9; Rom.11:7), ook nu een gelovige rest van het volk behouden (Zach. 13:9; Jes. 10:22; Rom. 11:4)! Zo zijn de allereerste gelovigen die Christus aannemen als hun Verlosser Joodse mannen en vrouwen. Zij vormen met hun kinderen de eerste Pinksterkerk te Jeruzalem. De apostelen krijgen als Joodse christenen de opdracht het evangelie te verspreiden over heel de wereld. Ook andere gemeenten die door de apostelen worden gesticht,  kennen voor een deel Joden die tot het geloof in Christus zijn gekomen.

In een volgende aflevering wordt nader ingegaan op de positie van Israël in de tijd van het nieuwe verbond.

Eén doorlopend goddelijk verbondsplan

Als we het bovenstaande samenvatten stellen we vast dat het bijzondere van het grote verbondsplan van de HEERE is, dat Hij uiteindelijk mensen uit alle volken wil insluiten in Zijn verbond. Dit heeft Hij al vanaf Abrahams roeping bekend gemaakt (vgl. Gal. 3:8). Om dit wereldwijde plan uit te voeren werden beloften gedaan aan het Nageslacht van Abraham, dat is Christus (Gal. 3:16; 3:14,15,29). Beloften die eeuwen omspanden. In die tijd was het volk Israël nodig om in afzondering van de rest van de wereld, de Christus voort te brengen.

In dat proces bleek Israël als volk niet te kunnen voldoen aan Gods verbondseisen. Het was niet beter dan de andere volken. Christus kwam dan ook als “het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt” (Joh. 1:29).

Dat was het moment dat de HEERE had vastgesteld om dit nieuwe verbond in te laten gaan. Zo komt met de komst en het verzoeningswerk van Christus, een einde aan de schaduwen van de OT-offerdienst (Hebr. 8), waardoor voor Israël als volk haar speciale taak ophoudt.  

Uit dit alles blijkt dat oud en nieuw verbond onderdeel zijn van een doorlopend groot plan dat God in Zijn genadeverbond uitwerkt. Het gaat van minder naar beter, van voorbereiding naar vervulling, alles naar Gods raad, waarin Gods soeverein welbehagen, Zijn onveranderlijke trouw en Zijn ondoorgrondelijke liefde schitteren. Er is geen enkele verdienste van Israël of van heidenen. Het is in Gods verbond alleen maar genade.

(wordt vervolgd)

Endnotes:
  1. https://www.bouwen-en-bewaren.nl/?s=sluit+verbond: https://www.bouwen-en-bewaren.nl/?s=sluit+verbond

Source URL: https://www.bouwen-en-bewaren.nl/2025/03/22/de-kerk-en-israel-4/