by S. de Marie | 5 april 2025 06:00
In het Nieuwe Testament wordt nog duidelijker dan in het Oude Testament, dat de kerkvergadering van Christus de vergadering van ware gelovigen betreft, die in Hem en door Zijn Geest aan elkaar verbonden zijn (HC zondag 21, NGB art. 27). Zijn kerk is na Zijn opstanding Zijn verbondsvolk, Zijn eigendom, dat Hij heeft gekocht met Zijn bloed (1 Petr. 2:9). Allen die zich niet aan Hem stoten, Joden of heidenen, vormen voortaan Zijn volk, dat uit genade in Gods ontferming is aangenomen (1 Petr. 2:10). Voor allen die zich wel aan Hem stoten, Joden en heidenen, is Hij een struikelblok (1 Kor. 1:23, 1 Petr. 2:7,8).
Eén kudde
De Heere Jezus maakt in de gelijkenis van de Goede Herder duidelijk, dat Hij het Zelf is Die de schapen die naar Zijn stem horen en Hem volgen, bijeenbrengt (Joh. 10:1-17;26-30). Voor hen heeft Hij Zijn leven gegeven. Hij heeft dan al schapen uit Israël, die Hem volgen: Zijn discipelen en anderen die in Hem geloven. Maar daarbij komen schapen, die niet van Israël zijn: “Ik heb nog andere schapen, die niet van deze schaapskooi zijn; ook die moet Ik binnenbrengen, en zij zullen Mijn stem horen en het zal worden één kudde en één Herder”.
De Heere Jezus spreekt dus niet van twee kudden die Hij gaat samenvoegen maar van schapen die Hij van buiten de ene schaapskooi toevoegt aan de schapen die Hem nu volgen.
De heidenen die tot geloof komen, worden door Christus in het ware Israël, het overblijfsel dat in Hem gelooft, ingelijfd (Ps. 87:4-67; Rom. 9:24-27; Rom. 11:4-7,17).
Deze eenheid van ware gelovigen uit Joden en heidenen is een zaak die ook in het hogepriesterlijke gebed van onze Zaligmaker een grote plaats heeft (Joh. 14). Daarin bidt Hij Zijn Vader voor de mensen die Zijn Vader Hem heeft gegeven om hen te verlossen. Hij bidt ook voor hen die door hun woord in Hem zullen geloven (vs. 20). Dat betreft de mensen die door de apostolische evangelieverkondiging tot geloof komen als Jood of als heiden. Als doel zegt de Heere erbij: opdat zij allen één zullen zijn (vs. 21). Die eenheid wordt duidelijk in de gemeenten die na Pinksteren gesticht worden door de apostelen en hun medewerkers. Daar eenheid van Joden, Grieken en andere heidenen die de waarheid van het evangelie aannemen en in acht nemen.
De tussenmuur weggebroken
De Heere brengt Zijn kerk zo in een nieuwe fase, waarin een geheimenis tot vervulling komt: het was lange tijd verborgen, maar is nu door openbaring bekend gemaakt. Joden en heidenen, die tot geloof komen zijn gelijkwaardig en delen volop in de belofte van de zaligheid. Dat zal moeten uitkomen in de eenheid binnen de kerk van Christus. Deze eenheid is een zaak om als gave van de Geest ook steeds na te streven (Ef. 4:1-6, 16).
Heel helder staat dit in Efeze 2:14v:
Want Hij is onze vrede, Die beiden één gemaakt heeft. En door de tussenmuur, die scheiding maakte, af te breken, … opdat Hij die beiden in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft. … Want door Hem hebben wij beiden door één Geest de toegang tot de Vader .
Het gaat hier om een “geheimenis” (Ef. 3:9v) : wat eeuwenlang verborgen geweest in God, is na Pinksteren werkelijkheid geworden. Waar vroeger tussen Joden en heidenen een tussenmuur, een scheiding, was, is deze door Christus afgebroken en opgeheven (2:13v). Er is nu voortaan één lichaam, éen volk. Jezus heeft door Zijn verzoening aan het kruis bewerkt dat er voor beide vrede is met God en vrede onderling. Zijn ene Geest verbindt hen samen met Hem en geeft hen beide toegang tot de Vader (2:18).
Gelovigen uit de heidenen zijn niet langer vreemdelingen en bijwoners t.o.v. Israël. Voordat Christus kwam was dat anders. Maar nu zijn ze door Hem medeburgers en huisgenoten: ze hebben voortaan dezelfde rechten en plichten en horen tot een en dezelfde kerk van Christus. Ze ervaren nu dezelfde zegen en vrede als de Joodse leden. Ze zijn zelfs als het ware door Christus van twee mensen tot één nieuwe mens geschapen (2:15)!
Dat gezamenlijke geestelijke huis wordt in zijn geheel gedragen door Jezus Christus als de hoeksteen. Op Hem rust ook het fundament, dat is de onderlaag van het huis: de apostelen en profeten van het Nieuwe Testament (Ef. 2:20). Zij mochten namens Christus de gemeente stichten en bouwen (Matt. 6:18). Dat ene kerkgebouw is goed-samengevoegd (Ef.2:21; 4:16): ze vormen in Christus een hechte eenheid, waarbij de een de ander dient, opbouwt, corrigeert en troost. De Heere wordt door hen gemeenschappelijk geëerd, aanbeden en gediend op een manier die Hem welgevallig is en bij Zijn heiligheid past.
Romeinen 11
De uitleg van Romeinen 11 speelt een sleutelrol voor het verstaan van de verhouding tussen de kerk en het volk Israël en voor het verstaan van Gods bedoeling met Israël voor de toekomst.
Er kunnen twee kernvragen worden gesteld. De eerste is deze: Is er vlak voor de jongste dag een massale volksbekering tot Christus te verwachten onder de Joden? De volgende auteurs hebben zich vóór deze uitleg verklaard: de kanttekenaars van de Statenvertaling uit 1637, J. van Andel, S. Greijdanus, A. Kuyper, W.H. Velema. Anderen hebben dit afgewezen, onder wie J. Calvijn, H. Bavinck, G.C. Aalders, W. Hendriksen, H.N. Ridderbos, Joh. Francke.
De tweede kernvraag is: Is er aanleiding voor de kerk om de niet gelovige Joden af te schrijven? Zijn de voorrechten van Israël op de kerk overgegaan? Is er grond voor een zgn. “vervangingstheorie”? De gemeente te Rome bestond voor het belangrijkste deel uit christenen uit de heidenen. Hoe moest men staan tegenover Israël en de joden? De Christus was wel uit de Joden, maar het merendeel van de joden had Hem verworpen. De tempel van Jeruzalem was een synagoge van de satan geworden. Aan de andere kant: de apostelen waren zelf Joden en overal waar zij het evangelie verspreidden waren wel Joden te vinden.
In de brief van Paulus aan de Romeinen komt de ontmoeting met de Joden uitvoerig aan de orde. Al in Rom. 1: 16 lezen we: het evangelie is een kracht tot zaligheid voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood en ook voor de Griek. Eerst wordt de doemwaardigheid van de mens vastgesteld inclusief die van de Joden. Dan komt er een brede verhandeling over de rijke onverdiende genade in Jezus Christus. De gerechtigheid uit het geloof in Hem in plaats van eigen gerechtigheid. Het leven onder de genade in plaats van onder de wet. Bij dat leven onder de genade hoort ook het ontvangen van de Heilige Geest, Rom. 8.
Vanaf hoofdstuk 9 bespreekt Paulus welke houding de christenen uit de heidenen moeten aannemen tegenover de Joden. Dat betoog loopt tot aan hoofdstuk 12.
Korte inhoud van Romeinen 9-11
Als alle eigengerechtigheid wordt verworpen en bloedafstamming geen grond is voor het heil, hoe staat het dan met de Joden? In Rom. 9 start Paulus met een uiting van droefheid.
Als Jood moet hij vaststellen dat Israël Christus heeft verworpen; het heeft zich steeds op zijn afstamming willen beroepen. Maar God heeft altijd al vrijmachtig de zijnen verkoren, ook binnen Israël. God heeft Zijn volk zijn onberouwelijke beloften geschonken, maar het is nooit Zijn bedoeling geweest om het totaal van alle Israëlieten te verlossen.
Als volk heeft Israël zich massaal en doorlopend ongehoorzaam getoond. Stefanus sprak in zijn laatste rede in Hand. 7, vlak voor zijn sterven uit:
Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u verzet u altijd tegen de Heilige Geest; zoals uw vaderen deden, zo doet u ook. Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? Zelfs hebben zij hen gedood die de komst van de Rechtvaardige aankondigden, van Wie u nu verraders en moordenaars geworden bent.
Israël is toonbeeld geworden van ongehoorzaamheid: het heeft niet willen luisteren naar God, en niet naar Christus. Nu ze de Christus hebben verworpen is het heil voor de heidenen bestemd, zoals de profeten al hadden aangekondigd.
Wat is nu nog de toekomst van Israël? In Rom. 11 wordt dit verder uitgewerkt (zie volgende artikelen).
(wordt vervolgd)
Source URL: https://www.bouwen-en-bewaren.nl/2025/04/05/de-kerk-en-israel-6/
Copyright ©2026 Bouwen en Bewaren unless otherwise noted.