De Kerk en Israël 8

We vervolgen de bespreking van Romeinen 11. Na de hoofdgedachte en de structuur van de verzen 11-36 volgt in twee afleveringen de uitleg van enkele belangrijke woorden en begrippen.

In Rom. 11:12 staat:
“Als dan hun val voor de wereld rijkdom betekent en het feit dat zij achteropkomen rijkdom voor de heidenen, hoeveel te meer hun volheid!” 

Volheid, (πλήρωμα), vers 12.
Volheid is te zien als het volgeladen zijn van bv. een schip met koopwaar, vol met zegeningen en rijkdommen. Prof. S. Greijdanus schrijft dat “πλήρωμα” (“pleroma”) staat tegenover het in dit vers genoemde “ἥττημα” (HSV: “achteropkomen”), dat tekort, vermindering of verlies betekent. “Pleroma” betreft de volheid van zegening, waaraan het tot bekering gekomen Israël deel krijgt. Het woord slaat zelf niet op een massale bekering van Israël. Greijdanus zegt wel: die volheid van zegening is de vrucht van, en zegen op de bekering, en komt met of na deze.

H.N. Ridderbos (Commentaar op het Nieuwe Testament): omschrijft “pleroma” als een “eschato-logische heilstoestand, waarin het nu nog ongelovige Israël kwantitatief en kwalitatief, het beeld mag vertonen van Gods vervullend en vol-makend handelen met hen.” Paulus berust dus niet in de ogenschijnlijk hopeloze toestand van de Joden. Hij vestigt juist alle aandacht op de rijke mogelijkheden, die opgesloten liggen in het tot jaloersheid verwekken van de Joden door de heidenen die tot geloof zijn gekomen.

Hendriksen (Commentary Hendriksen & Kistemaker), wil het “pleroma” laten slaan op de verlossing niet van een fysieke eenheid als het volk van Israël, maar op de optelsom van alle uitverkoren overgeblevenen van Israël, het totaal van de rest.

————————————————————————————————————————————————————————————-

In Rom. 11:16-18 lezen we:
En als de eerstelingen heilig zijn, dan het deeg ook, en als de wortel heilig is, dan de takken ook. Als nu enige van die takken afgerukt zijn, en u, die een wilde olijfboom bent, in hun plaats bent geënt en mede deel hebt gekregen aan de wortel en de vettigheid van de olijfboom, beroem u dan niet tegenover de takken. En als u zich beroemt: U draagt de wortel niet, maar de wortel u.

Eerstelingen – deeg en wortel – takken, vers 16-18:
Calvijn verwijst naar de eerstelingen van het deeg, die de hele klomp deeg heiligen. Greijdanus wijst erop dat de eersteling van het deeg hier niet slaat op de eerstelingen van de oogst (Lev. 23: 10c) maar op de eerstelingsgave van het brood (Num. 15: 18-21). Bij de eerste bereiding van brood uit het nieuwe koren, werd een deel van het deeg tot de priester gebracht, om het als hefoffer aan de HEERE te wijden en door Hem te laten heiligen.

Calvijn, Greijdanus en  Ridderbos, stellen dat eerstelingen bij deeg horen zoals wortel bij bomen. Zij  komen tot de conclusie dat het in beide gevallen van eerstelingen en wortel gaat om de aartsvaderen, i.h.b. Abraham. Ze zijn heilig, dat is bestemd voor de Heere en Zijn dienst, daarom is ook hun nageslacht bestemd voor de Heere.

In vers 17 wordt gesproken over de wortel en de vettigheid (NBG-51: sappige wortel): dat is de aartsvader die Gods onveranderlijke beloften kreeg voor hem en zijn nageslacht. Op deze wortel van de tamme (of edele, NBG 51) olijf (vers 24), mogen de heidenen worden geënt als komende van een wilde olijf.

U draagt de wortel niet, maar de wortel u, vers 18:
Deeg en takken zijn het volk van God (zie ook vers 21), het volk voortkomend uit de vader aller gelovigen (de eersteling van het deeg en de wortel van de boom). In de oude bedeling vallen deeg en takken samen met het volk Israël. In de nieuwe bedeling vallen deeg en takken samen met allen die geloven in de Heere Jezus Christus als hun zaligmaker. Alle roem is daarmee uitgesloten ook bij de heidenen.

Nu volgen de twee verzen waarover de meeste verwarring bestaat: vers 25 en 26.

————————————————————————————————————————————————————————————-

 Rom. 11:25: Want ik wil niet, broeders, dat u geen weet hebt van dit geheimenis (opdat u niet wijs zou zijn in eigen oog), dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.

Geheimenis (μυστήριον), vers 25a
Prof. S. Greijdanus stelt dat dit woord in de Bijbel nooit een betekenis heeft in de zin van een heidense mysterie, dat alleen voor ingewijden is. Geheimenis spreekt van iets dat alleen door goddelijke openbaring kan worden gekend, maar dan ook verder bekend gemaakt mag en moet worden. Het mysterie omtrent de heilrijke toekomst van de Joden is ook belangrijk voor de heidenen, want daardoor worden zij behoed tegen zelfverheffing en eigenwaan .

Greijdanus trekt hier al een conclusie m.b.t. de inhoud van het geheimenis, als hij stelt dat dit alleen een geheimenis is, als er eens een verandering in gunstige zin bij Israël zal komen. Dat Israël in meerderheid de Heere Christus verwierp was al bekend; ook dat er toch ook nog wel gelovige Joden waren. Dat is zijns inziens daarom geen inhoud van het geheimenis. We gaan daar straks verder op in.

Calvijn wijst in zijn commentaar ook op het doel van het geheimenis: “Opdat u niet wijs zou zijn zou zijn in eigen oog”. Paulus wil met het geheimenis de hoogmoed van de gelovigen van heidense afkomst terugdringen, opdat zij zichzelf niet tegenover de Joden zouden verheffen.
Calvijn schrijft: deze vermaning was niet weinig noodzakelijk, omdat de afval van dit volk de zwakken bovenmate zou verstoren. Zij zouden kunnen denken dat het eeuwig uit was met de zaligheid van alle Joden.
Maar, zegt Calvijn, ook voor ons is het nuttig, opdat wij weten, dat de zaligheid van het overgebleven aantal van de Joden, dat de Heere eindelijk tot Zich zal verzamelen, als met een ring is verzegeld.

Calvijn schrijft verder: “wanneer ons lange wachten ons brengt tot vertwijfeling en wanhoop, dan moeten wij direct denken aan de naam “verborgenheid”. Want daarmee heeft Paulus ons duidelijk vermaand, dat de wijze van bekering niet ‘algemeen’ of ‘gewoon’ zal zijn. Onze eigen gevoelens daarover zijn geen maatstaf. Wij moeten hierin een onbegrijpelijke maar ons wel geopenbaarde manier van Gods handelen zien.”

 Gedeeltelijke verharding, vers 25b en 6a
De inhoud van het nu geopenbaarde geheimenis staat in vers 25b en 26a. We lezen daar: 

  1. over Israël is voor een deel verharding gekomen,
  2. totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan
  3. en zo zal heel Israël zalig worden.

De gedeeltelijke verharding van Israël is dus zelf wel degelijk onderdeel van het geheimenis.
Het is wel de vraag of die gedeeltelijke verharding eens zal overgaan in een situatie, waarbij die wordt weggenomen en dat in die tijd niet maar enkelen van de Joden maar “heel Israël” zalig wordt. “Gedeeltelijk” is bij die gedachte dan doorvertaald als “tijdelijk”.

Verharding moeten we niet maar zien als een soort onvermogen bij de Joden. Een onvermogen, dat de Heere eens zal opheffen. Nee, we zullen deze verharding moeten zien als een van Gòd komende verharding, zoals vers 7 en 8 duidelijk aangeven: “God heeft hun een geest van diepe slaap gegeven, ogen om niet te zien en oren om niet te horen tot op de dag van heden. Degenen onder Israël, die God niet verkiest in Zijn overblijfsel, verhardt Hij. 

Totdat (ἄχρι οὗ) de volheid van de heidenen is binnengegaan, vers 25b
De verwachting dat er aan het einde van de geschiedenis alsnog een brede bekering van Israël komt, hangt vooral samen met de verklaring van het woord “totdat” van vers 25b. Komt er op dat moment een verandering, een switch? De meeste commentatoren nemen inderdaad aan dat het woord “totdat” een moment van verandering markeert, waarbij de ‘gedeeltelijke’ verharding wordt weggenomen en “heel Israël” zich dan zal bekeren en gaan geloven.

We citeren H.N. Ridderbos in zijn commentaar (pagina 262):
… totdat de volheid der heidenen zal zijn ingegaan. Met deze laatste woorden wordt gedoeld op het tijdstip, waarop het door God bepaalde volle getal (vergelijk bij vers 12) van de heidenen tot de eschatologische heilstoestand zal zijn gekomen. De weg, die God met zijn volk gaat en waarin hij anderen “de rijkdom van zijn heerlijkheid” bekendmaakt, 9: 23, betekent dus niet het einde van Israël als volk van God.
De verharding van Godswege staat onder een “totdat”. En dit “totdat” houdt niet maar in, dat met het einde van de tegenwoordige bedeling en het ingaan van de verlosten in de toekomende, ook de straf van God in de tegenwoordige bedeling over een deel van Israël automatisch haar einde vindt, maar dat deze, zoals ook uit het volgende onmiskenbaar blijkt, plaats zal maken voor de zaligheid van “heel Israël”, vers 26a.”

Toch wil ik erop wijzen dat in het woord “totdat” niet is ingesloten, dat er op dat moment per se een verandering in de verharding zal optreden. Wel is in “totdat” ingesloten dat aan de verharding een eind komt. Wat er op dat moment volgt, kan ook het aanbreken van de jongste dag zijn.
Dit is te vergelijken met het “totdat” in Matt. 24:38: men at en dronk “totdat” Noach in de ark ging. Op dat moment veranderde niet zozeer de gewoonte om te eten en drinken, maar er gebeurde iets heel anders: men kwam aan zijn einde door de zondvloed.

W. Hendriksen schrijft in zijn commentaar (pag. 378):
“Wanneer zal het volle getal tot verlossing in Christus zijn gebracht? De schrift is op dit punt heel duidelijk . Het zal zijn op de dag van Christus wederkomst. Als Hij eenmaal is teruggekeerd is er niet langer gelegenheid om de roeping van het evangelie te aanvaarden. (Luk. 17:26-37; 2 Petr. 3:3-9, NGB art. 37). (…)

De gedeeltelijke verharding van Israël en het verzamelen van de gelovigen heidenen vindt tegelijkertijd plaats. Die gedeeltelijke verharding begon overigens al in de dagen van het Oude Testament, vond plaats in Paulus’ eigen dagen en zal voortduren totdat de nieuwe bedeling wordt afgesloten.
Zij aan zij met dit proces van verharding wordt het evangelie verkondigd aan de heidenen. Sommigen verwerpen dit, sommigen zullen het door Gods soevereine genade aanvaarden.
Het is duidelijk dat er in elke tijd sommigen Israëlietenk  worden verhard, maar het is ook waar dat er in elke tijd sommige worden gered.”  

Wat betekent de Volheid van de heidenen in vers 25b (τὸ πλήρωμα τῶν ἐθνῶν)?
Greijdanus verklaart dit als “het volle door God bepaald getal van degenen, die uit alle heidenen tot het geloof zullen komen”… “Het spreekt van het volle aantal, dat God uit de heidenen ten leven heeft verkoren, zonder nader aan te geven, hoe groot het is”. 

Wat is “binnengegaan”? Slaat dit op het binnengaan in het Koninkrijk der hemelen? Of betreft dit het binnengaan in de olijfboom van de voorafgaande verzen 17-24, nl. de ene katholieke kerk uit Joden en heidenen?

In de volgende aflevering meer hierover. 

                                                                                                                                                                                                    (wordt vervolgd)

Pdf maken (via Printen)