LEZEN: Ef. 5:1-21
Wees met elkaar mijn navolgers, broeders, en houd het oog gericht op hen die zó wandelen, zoals u ons tot een voorbeeld hebt. Want velen – ik heb dikwijls met u over hen gesproken en zeg het nu ook onder tranen – wandelen als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun god is de buik en hun eer is in hun schande; zij bedenken aardse dingen. – Fil. 3:17-19
Paulus vergelijkt ons leven als leden van Christus’ kerk op aarde met “wandelen” (vs.16,17); wandelen als kinderen van God en als navolgers van God in Christus.
Voor een godsvruchtige levenswandel hebben we Gods Woord als leidraad en toetssteen. Maar voor de praktijk heeft de Heere daarnaast ook trouwe dienaren gegeven die een voorbeeld-functie hebben. Gods Woord blijft ook dan toetssteen of ook deze dienaren zelf God in Christus navolgen.
Zo wijst Paulus op zichzelf als apostel, maar ook op anderen, zoals Timotheüs, die samen met Paulus deze brief schrijft (zie ook: 2:19-23). Elke ambtsdrager behoort als herder een voorbeeld voor de kudde te zijn, niet alleen voor de betruwbaarheid in de leer maar ook voor de zuiverheid van het geloofsleven (1 Tim. 4:12, Tit. 2:7, 1 Petr. 5:3). Laat de gemeente hen dan ook zo in eensgezindheid aanvaarden.
Paulus snijdt een belangrijke zaak aan. Want de gemeente wordt belaagd door veel leden die een andere, zelfs kwade, levenswandel laten zien. Zij wandelen als vijanden van het kruis (vs.18).
Er is voor Paulus reden om over hen te huilen (zie ook vs.2v). Ten eerste staan ze het verzoenende kruislijden van Christus tegen met hun vasthouden aan de oudtestamentische besnijdenis.
Ten tweede vervolgen ze de kerkleden die dat kruislijden wel belijden (3:2). Ten derde verleiden ze andere leden door wereldse praktijken. Ze zijn uit op eigen genot en eigen eer.
In plaats dat zij bedenken de dingen die boven zijn, bij Christus, bedenken ze de dingen die op de aarde zijn (Kol. 3:2). Ze vormen daarom een groot gevaar voor de gemeente.
Herken je het gevaar dat Paulus noemt?
Zingen: Ps. 11:3
