LEZEN: Rom. 1:1-7: … geroepenen van Jezus Christus … geliefden van God en geroepen heiligen: genade zij u en vrede …
Paulus stelt zich voor als dienstknecht van Jezus Christus en Zijn geroepen apostel. Daarmee geeft hij direct de betrouwbaarheid en het gezag aan van deze brief. Hij schrijft als gezonden dienstknecht in opdracht van de Heer van de kerk, die haar als haar gezalfde Verlosser heeft gekocht met Zijn bloed.
Paulus voegt eraan toe dat hij door de Heere afgezonderd is ten behoeve van de verkondiging van het Evangelie van God. Het evangelie dat hij met anderen verkondigt, was al door middel van Gods profeten beloofd in het Oude Testament als heilige Schriften.
Alles wat Paulus verkondigt is geen eigen verhaal maar goddelijke blijde boodschap. In dat Evangelie staat de Zoon van God centraal: Hij is als mens geboren uit het zaad, het geslacht van David, zoals voorzegd was.
Ook is Hij door de Heilige Geest geheiligd, dat is: verheerlijkt. Zijn heerlijkheid na Zijn opstanding maakt nog duidelijker dat Hij, Jezus Christus, werkelijk Gods Zoon is (Joh. 20:28,31). Hij is onze Heere, de Kurios van de kerk!
Paulus zegt ook dat hij uit genade van Christus het apostelschap heeft mogen ontvangen om mensen te brengen tot geloof in en geloofs-gehoorzaamheid aan dat heerlijke Evangelie.
Daarvoor maakt hij aan alle volken de naam van Christus bekend, zodat Zijn naam overal gevreesd en geëerd wordt. Christus’ naam, Zijn openbaring, heeft betrekking op heel Zijn wezen en verlossingswerk.
Paulus noemt de gemeente te Rome “geroepenen van Jezus Christus”, “geliefden van God”, “geroepen heiligen”. Ze zijn voorwerpen van Gods liefde, afgezonderd van ongelovigen, om God toegewijd te zijn.
Paulus geeft hen de zegengroet: genade en vrede voor u van God en Christus. Die genade en vrede moet gelovig worden aangenomen. Datzelfde horen wij in onze erediensten. Wat een onverdiend voorrecht!
Wat houdt de roeping in, die gemeenteleden hebben?
Zingen: Ps. 36:2
