LEZEN: 1 Kon. 12:25-33: … de koning .. maakte twee gouden kalveren … in Bethel … en … in Dan … Zie uw goden …
Niet alleen Rehabeam maar ook Jerobeam raadpleegt de HEERE niet voor zijn beleid. Jerobeam heeft van de HEERE een goddelijke toezegging gekregen die in vervulling is gegaan: hij mag koning zijn over tien stammen van Gods volk.
Maar bij dit geschenk heeft de HEERE aan hem een belofte en een eis gesteld (1 Kon. 11:38): “En het zal gebeuren, als u luistert naar alles wat Ik u gebied en in Mijn wegen gaat en doet wat juist is in Mijn ogen door Mijn verordeningen en Mijn geboden in acht te nemen zoals Mijn dienaar David gedaan heeft, dat Ik met u zal zijn en voor u een blijvend koningshuis zal bouwen …”
Maar Jerobeam vertrouwt niet op de HEERE en Zijn bescherming. Hij legt Zijn woorden naast zich neer en bedenkt dat het volk bij hem weg zal lopen en zich tegen hem zal keren wanneer ze naar Jeruzalem gaan om de HEERE te offeren. Ze zullen dan weer contact hebben met het tweestammenrijk en uiteindelijk weer naar Rehabeam overlopen. Dat zal hem zelfs zijn leven kunnen kosten.
Rehabeam wordt niet alleen slachtoffer van zijn eigen wantrouwen en vijandschap, hij rekent ook niet met de HEERE die hem toch heeft aangesproken met rijke beloften.
Zo komt Rehabeam ertoe om, geheel tegen de verordeningen van de HEERE in, een eigenwillige godsdienst in te stellen. Erger kan haast niet, want hij sleurt daarbij zijn eigen volk mee in een godsdienst die de HEERE een gruwel is.
Hij maakt twee gouden kalveren, één in Bethel en één in Dan en dringt het volk op om deze kalveren als goden te aanbidden. Hij maakt offerplaatsen, stelt priesters aan buiten de stam van Levi en stelt zelf bedachte offerfeesten in.
Alles bedenkt hij in zijn eigen hart buiten de HEERE om. Het refrein zal in de toekomst bij de hem opvolgende koningen steeds zijn: “En hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE en ging in de weg van Jerobeam en in diens zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen.”
Is er verschil tussen afgoden en deze kalveren?
Zingen: Ps. 119:1,5
