Kerkzang 6

by T.L. Bruinius | 22 november 2025 06:00

We laten nu verder de ontwikkeling van de kerkzang in andere landen buiten beschouwing en richten ons op de kerkzang in onze eigen gereformeerde kerken.

Souterliedekens
In de Nederlanden was door verschillende oorzaken de Reformatie terecht gekomen op de lijn van Calvijn. Dat werd ook belangrijk voor de kerkzang. Er was al snel een sterke behoefte aan het zingen van psalmen in de eigen taal. Het opnieuw gereformeerde volk wist zich geroepen om in de erediensten te zingen voor de Heere.  Het psalmen zingen gaf ook veel troost en bemoediging in die tijd van vervolging. Er verschenen verschillende psalmbundels. Sommige met slechts een deel van de psalmen. In 1540 al verschenen de zogenaamde “Souterliedekens”. (Van psalmenboek> psalter> psouter> souter). Het ging om berijmingen van alle psalmen in de volkstaal, van de hand van Jonkheer Willem van Zuylen van Nijevelt. Aan de berijmingen kleefden nogal wat bezwaren, ze waren vrij en oppervlakkig. En ook aan de melodieën die Van Zuylen gebruikte: alle psalmen werden gezongen op de wijzen van bekende straatliedjes. Dat was bewust. Van Zuylen hoopte daarmee vooral de jeugd te trekken. (Komt ons zulk denken niet bekend voor?) En hij had succes. Tot in het begin van de daarop volgende eeuw werden de souterliedekens veel gezongen, vooral buiten de erediensten.

Datheen
Een andere bekende bundel uit die eerste jaren van de Reformatie was die van Jan Utenhove. In 1551 gaf hij 25 berijmde psalmen uit, in 1561 100. In 1566 werd zijn bundel voltooid, 150 psalmen en enkele liederen.
Ook verscheen er een psalmboek van de hand van Marnix van Sint Aldegonde. Deze vertaalde rechtstreeks uit het Hebreeuws. En hij gebruikte heel goed en mooi Nederlands.

Maar een andere verzameling psalmen, die van Petrus Datheen, overvleugelde al snel de berijmingen van Utenhove en Sint Aldegonde. Petrus Datheen was een voorganger die heel veel invloed heeft gehad op de Reformatie in de Nederlanden. Hij was een echte leerling van Calvijn. Datheen heeft een tijd verbleven in de vluchtelingengemeente in Frankenthal, in de Palz. In die tijd heeft hij alle psalmen uit de gereformeerde psalmbundel van Genève vertaald uit het Frans. (Dus niet rechtstreeks uit de grondtaal). Hij bracht in 1566 de psalmen uit in een compleet kerkboek, samen met enkele liederen, namelijk de lofzangen van Maria, Zacharias en Simeon, de Tien Geboden, het Gebed des Heren en de Apostolische Geloofsbelijdenis, naar de ‘regel’ van Calvijn. Daaraan voegde hij nog toe een Nederlandse vertaling van de Heidelbergse Catechismus, een liturgie en een aantal formulieren en gebeden.

Bijbel en volkstaal
Datheen was er diep van overtuigd dat de psalmen berijmd moesten zijn in nauwe aansluiting aan de Bijbel. En in de gewone volkstaal.
Er was wel te merken dat Datheen de berijmingen onder grote tijdsdruk heeft vertaald. Hij heeft veel ‘opvullingen’ gebruikt. De gebruikte woorden zijn soms wel erg ‘volks’. Rijmwoorden vaak nogal ‘gemaakt’. En ook liepen de zinnen niet altijd goed gelijk met de melodieën (Ook overgenomen van Genève). Maar de door Datheen gebruikte taal sprak de ‘gewone’ kerkleden erg aan, meer dan de taal van bijv. Marnix van Sint Aldegonde. We kunnen ook wel spreken van een echt gereformeerd kerkboek.
Het kerkboek van Datheen werd dan ook spoedig in tal van gereformeerde kerken in de Nederlanden gebruikt. Op het Convent van Wezel (1568) werd de bundel van Datheen zeer aanbevolen. De eerste nationale synode, in Dordrecht, 1578, besloot dat men de psalmen van Datheen in de kerken zou zingen. Maar: met uitzondering van de gezangen die niet rechtstreeks aan de Bijbel waren ontleend.

Kerkorde
Na een aantal jaren van telkens weer discussie en overleg op provinciale en nationale synoden nam de bekende Nationale Synode te Dordrecht in 1618/1619 over de kerkzang een definitief besluit. “In de kerkcken zullen alleen de 150 Psalmen Davids, de tyen geboden, het Vader onse, de twaalf articulen des ghelooffs, de loffsanghen Mariae, Zachariae ende Simeonis gesonghen worden. T’ gesangh O Godt die onse Vader bist etc, wort in de vryheit der Kercken ghestelt, om hetselve te ghebruycken ofte na te laten.[i] (U kunt het zestiende-eeuws Nederlands hier toch wel volgen?)

Het genoemde gezang was in de Nederlanden een zeer geliefd lied uit de Lutherse traditie. Verder stond de synode geen vrije liederen toe in de eredienst. Die waren inmiddels wel in omloop maar vooral gedicht door remonstrantse predikanten. Ze werden afgewezen omdat ze niet geheel in overeenstemming waren met de Bijbelse leer.

De berijming van Datheen is gebleven tot 1773. En het schijnt dat deze in enkele zeer behoudende reformatorische kerken nog gebruikt wordt.

Taal
In de achttiende eeuw kwam er steeds meer kritiek op de berijming van Datheen. Vooral zo tegen 1750 zwelt die kritiek enorm aan. Eerst gaat het vooral over de taal. De berijming van Datheen dateerde dus van 1566. In twee eeuwen was het Nederlands (mee onder invloed van de Statenvertaling) erg veranderd. Veel woorden uit de psalmen waren sterk verouderd. Daar kunnen we ons van alles bij voorstellen. Was niet het reformatorische uitgangspunt: zingen in de taal van het ‘gewone’ kerklid?

Verlichting
Daar kwam nog iets bij. Iets dat veel minder uitgesproken werd maar wel degelijk invloed had op de discussie. In die tijd kwam het verlichtingsdenken sterk op. Het menselijk leven, zo beweerde de wetenschap, dat verkeerde in de duisternis van geloof en religie, in het donker van allerlei niet-redelijke aannames en vooroordelen, werd nu verlicht door de wetenschap dat je alleen kennis krijgt vanuit het menselijk verstand.
Gereformeerd geloven werd langzamerhand een ouderwets “systeem” dat vervangen kon worden door een beter. Belijdenissen werden beschouwd als door de kerk onterecht opgelegde wetten en regels. Zo ontstond in de achttiende eeuw een soort geloof dat we “deïsme” noemen. De Heere zoals Die zichzelf openbaart in de Bijbel verandert in een onpersoonlijke godheid. Een soort “hemelse macht” die ver weg staat van de mensheid, een “kracht” die ooit als “lieve Heer” begonnen is met de Schepping en  ergens wel is, maar zich verder niet meer bemoeit met de Schepping, met het aardse leven. Dat moet je uiteindelijk toch allemaal zelf uitzoeken. Je mag, als je daar behoefte aan hebt, die “macht” best aanbidden en loven maar verwacht er niet je heil van. In de praktijk gaat het niet om heilig leven naar Gods Wet maar om goed, redelijk en zedelijk te zijn en de Heere Christus te zien als een voorbeeld voor het dagelijks leven, i.p.v. onze Verlosser en Heere.
En die invloed van de Verlichting was ook terug te vinden in de voorstellen voor een nieuw psalmboek.

Nieuwe berijming
Er kwam steeds meer roep om een nieuwe psalmberijming. Vanuit de kerken werd daarbij de hulp van de overheid gevraagd. Die hulp kwam. In overleg met de kerken werd een brede commissie ingesteld die met een voorstel voor een nieuwe eigentijdse berijming moest komen.
En dat lukte. Uit een aantal al bestaande particuliere berijmingen werden er drie gekozen waaruit het nieuwe psalmboek zou worden samengesteld. De berijming van Johannes Eusebius Voet, de berijming van de kunstvereniging “Laus Deo, Salus Populo” (vertaald: lof voor God, heil voor het volk) en de berijming van Hendrik Ghijssen. Oudere lezers herkennen die namen vast wel uit het oude kerkboek van voor 1984. 

Een groot deel van de psalmen waren bewerkingen van Lutherse psalmen. Een ander deel, van “Laus Deo, Salus Populo”,  kwam van doopsgezinde en remonstrantse dichters. Als we die psalmen nu doorlezen is dat ook goed zichtbaar. Maar men vond de nieuwe psalmen mooi en aanvaardbaar. Op last van de Staten-Generaal (een staatsberijming dus), ondanks kritiek die zeker wel geleverd werd, werd de nieuwe berijming ingevoerd in de kerken. En ook deze berijming heeft het 200 jaar volgehouden. Wij kennen hem als de ‘oude berijming’.

Gezangen
Zoals heel vaak in een tijd van afval in de kerken kwam er ook in die zelfde tijd de roep om een flinke bundel zogenaamde ‘evangelische’ gezangen (Niet evangelisch zoals wij dit nu opvatten maar in de betekenis van christelijke gezangen). De bestaande kleine hoeveelheid liederen vond men niet meer genoeg. Men moest veel meer eigen geloof en geloofsbeleving kunnen uitzingen. Er werd werk gemaakt van een bundel met een groot aantal vrije liederen. In de Franse Tijd, in 1805, na een periode van ruim 30 jaar, kwam die gezangbundel tot stand. In 1807 werd hij uitgegeven. En door de synode van de Hervormde Kerk verplicht om in alle kerken te gebruiken.

Die verplichting, èn de inhoud van de bundel ‘Evangelische Gezangen’ heeft een belangrijke rol gespeeld in de opgang naar de Afscheiding.
Daar willen we in een volgend artikel meer over vertellen.

                                                                                                                                                                                                     (wordt vervolgd)


[i] Geciteerd via: dr. G. Kunst, Kerkzang in de Nederlanden, Kok, Kampen, 1971

Source URL: https://www.bouwen-en-bewaren.nl/2025/11/22/kerkzang-6/