LEZEN: Jes. 51:12-23: Ik, Ik ben het Die u troost … Wie bent u dat u bevreesd bent voor een sterveling, die sterven moet, voor een mensenkind, gras, dat vergaat, en dat u de HEERE vergeet, Die u gemaakt heeft … U bent Mijn volk. Ontwaak, ontwaak, sta op, Jeruzalem! … Zie, Ik neem de beker van bedwelming uit uw hand, de droesem van de beker van Mijn grimmigheid – u zult die voortaan niet meer drinken. Maar Ik zal hem geven in de hand van hen die u bedroeven, die tegen uw ziel zeiden: Werp je neer, dan lopen wij over je heen …
Hoe kan het dat Gods kinderen doodsbang zijn voor een mens, die hen onderdrukt, maar die toch maar een sterveling is, terwijl zij niet op de HEERE vertrouwen Die in Zijn almacht alles geschapen heeft? Want de HEERE beschermt de Zijnen. Waarom zouden zij dan nog vrezen?
Inderdaad, de HEERE gaat voor vrijlating van de gevangen leden van Zijn volk. zorgen. Hij is immers de Almachtige, Die Zich openbaart aan de profeten met het oog op de bevrijding van Zijn volk en de toekomst van Zijn rijk (vs.16).
In de verzen 17-21 maakt de HEERE duidelijk dat Hij omziet naar Zijn volk in de ellende van hun ballingschap als Zijn straf. Hij gaat een einde maken aan die ellende. Laten ze daarom toch naar Hem luisteren (vs.17,21). De HEERE zal Zich wreken op de tegenstanders van Zijn volk, vanwege hun harde, wrede handelen.
Ook hier lezen we wat al in Deut. 32 was aangekondigd: de HEERE maakt eerst gebruik van heidenvolken om Zijn volk de door hen verdiende straf te ondergaan vanwege hun zonden en afgoderij: de droesem van de beker van Gods grimmigheid (vs.22).
Maar de heidenvolken zijn daarin te ver gegaan. Ze hebben zich wreed gedragen door over hen heen te lopen (vs. 23). Ze hebben God daarin niet erkend als de God Die rechtvaardig is, maar ook barmhartig. Ze hebben Zich niet opgesteld als Zijn dienaren. Daarom keert God Zich nu tegen hen en geeft hen nu zelf die beker te drinken.
Moeten wij vervolging van de kerk zien als straf?
Zingen: Ps. 76:3,4
