Individu
Na de invoering van het nieuwe kerkboek in 1985 houdt de discussie over gezangen niet op. En de roep om meer en andere gezangen wordt aan het eind van de tachtiger jaren en het begin van de negentiger jaren steeds sterker.
In die tijd worden de kerken (de GKv) sterk beïnvloed door o.a. het individualisme en het postmodernisme.
Eén van de kenmerken van het individualisme is de overtuiging dat het individu recht heeft op volledige, onbelemmerde ontplooiing van zichzelf. En de gemeenschap moet die ruimte geven. Als we hebben over de eredienst: er moet ruimte komen voor eigen inbreng, voor het uiten van eigen gevoelens. Ten koste van het centraal stellen van de lof aan de Heere en het gehoorzaam luisteren naar Zijn Woord. De mens moet in de eredienst meer centraal komen te staan.
Het postmodernisme sluit daar goed op aan. Dat leert dat er geen algemene hogere waarheid is. Ieder mens heeft zijn eigen waarheid. Om toch te kunnen samenleven moeten we op zoek naar verbinding, naar onderwerpen waar we veilig met elkaar over kunnen praten zonder elkaars waarheid aan te tasten. Het postmodernisme heeft geen boodschap aan de geschiedenis, het is sterk gericht op hier en nu.
We zeggen het nu heel erg kort. Het werd ook zeker niet zo verwoord. Maar die invloed was er wel en werd snel sterker. Sluipend. Onvoldoende onderkend. Er is over die invloed van het individualisme en postmodernisme in die jaren al veel gepubliceerd. Duidelijk is dat het invloed had op het nadenken over gezangen.
Evangelisch
Het individualisme houdt nauw verband met de evangelische beweging. Daarbij is een belangrijk kenmerk, net als in het individualisme, het centraal staan van het “ik”. “Ìk kies voor Jezus”. “Ìk besloot mijn hart aan Jezus te geven”. Geloven is een daad van de mens zelf. Een vrije keuze.
De evangelische boodschap is dan ook vaak: God is er ook voor jou. Jíj hoeft alleen maar voor Hem te kiezen. Algemene genade. Soms wordt zelfs een vorm van algemene verzoening geleerd.
Het is wel een heel aantrekkelijke boodschap. De zondige mens wordt naar het hart gesproken.
Daarbij komt de sterke nadruk op gevoel en op het werk van de Heilige Geest. Zo sterk, dat vaak het werk van de Geest wordt verzelfstandigd en los gemaakt van het werk van Christus. Terwijl de Bijbel ons leert dat de Geest juist léidt naar Christus en gelovigen de overtuiging geeft dat alleen Christus de inhoud is van het geloof.
In evangelische kringen worden vaak slechts delen van de Bijbel gebruikt, met verwaarlozing van de context en van de gehele Bijbel.
En kenmerkend voor een echt geloof is toch wel de blijde uitstraling en de vrolijkheid die gelovigen moeten hebben.
Liedboek
Individualisme, postmodernisme en evangelisme hebben de kerkelijke ontwikkelingen in de jaren negentig heel sterk beïnvloed. En de veranderingen gingen snel. Velen onder ons hebben dat bewust en met grote moeite en verdriet, met vervreemding en ontzetting soms meegemaakt.
De generale synodes van Ommen, 1993, en van Berkel&Rodenrijs, 1996, gaven groen licht voor een enorme uitbreiding van de gezangen voor de eredienst. In eerste instantie werden er 121, later zelfs 255 (!) gezangen vrijgegeven uit het interkerkelijke “Liedboek voor de kerken”. Daarmee werden verschillende normen die de gereformeerde kerken de eeuwen door hadden bewaard, losgelaten. Het aantal gezangen ging nu de psalmen overheersen. Het uitgangspunt van alleen Schriftberijmingen en slechts enkele andere liederen werd volledig losgelaten.
Leer
Ook de Bijbelse norm dat gezangen voor de eredienst zo nauw mogelijk moeten aansluiten bij de Bijbel verloor zijn kracht.
In vele tientallen nieuwe gezangen werden o.a. de volgende onschriftuurlijke zaken zichtbaar: alverzoening; bevrijdingstheologie, afzwakken van de verkiezing, weglaten van he verbond, weglaten van de antithese, verzwakken van het evangelie van de verzoening door voldoening, mystieke taal of vreemde poëzie die niet aansluit bij schriftuurlijke gegevens.
Het is hier niet de plaats om dat allemaal uit te werken. In die jaren is dit allemaal aangetoond en zijn er indringende bezwaren naar voren gebracht door kerkleden.
Maar daarmee is geen rekening gehouden. Er is ook niet uitgebreid door de kerken getoetst zoals na Kampen 1975. De invoering van die eerste 121 nieuwe gezangen ging eigenlijk vrij geruisloos.
Fundamenteel
Het is goed om te bedenken dat die enorme uitbreiding van de gezangen mee reden is geweest voor de vrijmaking van 2003 en volgende jaren. Zeker niet de voornaamste reden maar de gezangenkwestie speelde wel een belangrijke rol. De vrijmaking van 2003 was ook op het punt van de gezangen reformatie, terugkeer naar Gods Woord, in het spoor van de gereformeerde kerken van de eeuwen na de Grote Reformatie.
En daarmee van fundamenteel belang voor De Gereformeerde Kerken (DGK) zoals die zich na 2003 opnieuw institueerden. Dus ook voor onze huidige Gereformeerde Kerken. We verwijzen graag naar de besluiten van de GS te Mariënberg in 2005, waarin een groot aantal liederen op Bijbelse gronden wordt afgewezen voor gebruik in de eredienst.[i]
Situatie
Hoe is nu de situatie in onze Gereformeerde Kerken?
Op 5 oktober 2024 zijn we één kerk geworden. Dat vroeg veel voorbereiding en overleg. Er waren o.a. belangrijke verschillen tussen DGK en GKN op het terrein van de liturgie, leespreken, vrouwenkiesrecht en te gebruiken formulieren. Dan gaat het ook over te zingen gezangen. In twee gemeenten van de GKN werd een groot aantal gezangen gebruikt, bovenop de 41 gezangen uit het Gereformeerd Kerkboek, waaronder liedboekliederen, die door de GS Mariënberg 2005 waren getoetst en afgekeurd. Het kerkerband gaf, na veel discussie en hertoetsing, die ruimte binnen het kerkverband. Op een zitting van de gecombineerde Generale Synode van Groningen/Kornhorn (16 maart 2024) werd besloten: “Wanneer kerken, die op één of meer hiervoor omschreven punten in de praktijk verschillen, besluiten tot samenvoegen, is het aan de betreffende kerkenraden te overleggen en besluiten hoe hier mee om te gaan.”
Naar de belijdenis is er op één plaats één kerk van Christus, Christus vergadert zijn gemeente plaatselijk. Dat betekent inderdaad dat op verschillende plaatsen gemeenten van de beide kerkverbanden samengevoegd moeten worden.
Besloten werd nu dat de betreffende kerkenraden zelf samen mochten besluiten over de omstreden zaken. Dat ze dus ook zelf mogen besluiten over de verschillen in het gebruik van o.a. gezangen. En daar ligt dan ook een punt van ernstige zorg.
Kerkorde
In de kerkorde, waaraan DGK en GKN beide verklaard hebben zich te zullen binden, hebben we afgesproken in art. 65:
“De kerken zullen zich houden aan de orden van dienst die door de generale synode zijn goedgekeurd.”
En in art. 67:
“In de eredienst zullen psalmen gezongen worden in een berijming die door de generale synode is aanvaard en verder de gezangen die de synode heeft goedgekeurd.”
Het lijkt erop dat deze beide artikelen in het nieuw gevormde kerkverband nu minder betekenis hebben: plaatselijke kerkenraden mogen hierover beslissen. We schreven hierover eerder in een tweetal artikelen op deze website onder de titel ‘Eén kerk’. (https://www.bouwen-en-bewaren.nl/category/kerkelijk-leven/een-kerk/)
Deputaten
Op 8 februari 2025 besloot de gezamenlijke synode: “een deputaatschap ‘voorbereiding herziening gezangenbundel’ te benoemen, met als opdracht de Generale Synode van 2026 te dienen met voorstellen over:
a. opzet en omvang van een nieuwe gezangenbundel
b. criteria, waaraan de daarin opgenomen gezangen dienen te voldoen
c. de mogelijkheid en wenselijkheid om in plaats van een eigen bundel een lijst samen te stellen van vrijgegeven liederen uit één al bestaande bundel”.
(Bedoeld wordt een gezangenbundel die in gebruik is buiten onze kerken, waarvan dan een aantal nummers gebruikt kan worden.)
Het besluit werd zonder veel discussie aangenomen. Dat is nu de situatie. In het licht van de kerkgeschiedenis en van eerdere synodebesluiten (Kampen 1975, Mariënberg 2005) roept dat veel vragen op.
Conclusie
Wat hebben we er nu aan, het bespreken van de gezangenkwestie door de eeuwen heen?
Komend voorjaar zullen de kerken, als de Heere het geeft, op de Generale Synode te Zwolle, dus weer met elkaar spreken over een eventuele uitbreiding van de te zingen gezangen in de eredienst.
We menen dat het belangrijk is dat de synode beseft dat het invoeren van veel nieuwe gezangen vaak leidt tot grote onrust in de kerken.
En het is belangrijk om daarbij vast te houden aan de oude gereformeerde richtlijnen:
– art. 65 en 567 van de Kerkorde moeten volledig gehandhaafd worden;
– slechts een zeer beperkt aantal gezangen, de psalmen blijven heersend in de eredienst;
– alleen enkele gezangen die nauw aansluiten bij het Woord van God;
– grote terughoudendheid m.b.t. zogenaamde vrije liederen, ze brengen vaak vrijwel ongemerkt afwijking van de Bijbelse leer mee;
– de lof aan de Heere moet altijd centraal staan, niet onze menselijke gevoelens.
Ook is het een goede zaak om eventuele nieuwe gezangen te laten toetsen door de kerkleden.
Toetsing
Over het toetsen zelf gaan we het nu niet hebben. Daarvoor verwijzen we graag naar een artikelenserie van ds. S. de Marie op deze website, onder de titel ‘Hoe toetsen wij onze liederen?’ Zie https://www.bouwen-en-bewaren.nl/category/artikel-van-de-week/hoe-toetsen-wij-onze-liederen/.
Veel informatie is ook te vinden in de acta van GS Mariënberg, art. 25, E.c. Zie https://www.geref-kerken.nl/wp-content/uploads/2025/04/Acta_generale_synode_marienberg_2005.pdf .
[i] acta GS Mariënberg, art. 25, E.c.
