LEZEN: Ex. 21:1-36: Dit zijn de bepalingen die u hun moet voorhouden
De volgende rechtsbepalingen beschrijven het samenleven als verbondsvolk naar de norm van de HEERE, de God van het verbond. Israël is uniek als Gods uitverkoren volk.
Verzen 1-11 behandelen de rechten en plichten van slaven die in dienst staan van Israëlieten, waarschijnlijk beperkt tot slaven in Kanaän, aangezien er tijdens de woestijnreis geen slaven onder het volk bekend zijn.
Het tot slaaf worden van een Israëliet (Hebreeër) is een gevolg van armoede, waarbij men zichzelf of zijn kinderen tegen geld aan een ander verkoopt om als slaaf te dienen. Dit is een ongewenst verschijnsel, in strijd met de wil van de HEERE en een uiting van ongehoorzaamheid (zie de armenwet in Deut. 15).
Toch heeft de HEERE deze regeling ingesteld om het kwaad te beperken. Kan dit worden vergeleken met de instelling van de scheidsbrief vanwege de hardheid van het hart (Matt. 19:8)? Niet zonder meer. Er zijn belangrijke verschillen.
Ten eerste mag niemand een andere Israëliet tot slaaf maken zonder diens uitdrukkelijke toestemming. Ten tweede is de duur van het slaafzijn voor een Hebreeër beperkt tot maximaal zes jaar, waarna op het zevende jaar vrijlating volgt, tenzij de slaaf ervoor kiest om voor altijd bij zijn heer te blijven (vs.5,6). Voor slaven van andere volken gelden andere regels.
Verzen 12-26 richten zich op het beschermen van het leven. Moedwillige doodslag wordt bestraft met de doodstraf (vs.12, vgl. Gen. 9:5, 6). Het slaan of vervloeken van vader of moeder wordt ook met de doodstraf bestraft (vs.5,17). Dat geldt ook de ontvoering van mensen.
Verschillende vormen van mishandeling worden bestraft met straffen die passen bij de ernst ervan. Bij mishandeling van slaven moet vrijlating volgen. Verder geldt het principe van “oog voor oog, tand voor tand, leven voor leven” (vs.26,27).
Mishandeling van dieren van een ander moet worden vergoed met geld. In alle gevallen geldt dat het leven dat de HEERE geeft, heilig is en dat er rechtvaardig moet worden gehandeld bij moedwillige schade.
Is het nu nog “oog voor oog, tand voor tand”? (vgl. Mt. 5:38,39)
Zingen: Ps. 99:2,3