LEZEN: Ex. 23:1-33: … Bij alles wat Ik tegen u gezegd heb, moet u op uw hoede zijn. U mag niet aan de naam van andere goden denken, die mag niet uit uw mond gehoord worden! …
Na dringende oproepen, onder andere over de aard van getuigenissen bij rechtszaken en het weigeren van steekpenningen, wordt het sabbatsjaar aangewezen om het land rust te gunnen (vs.10-11).
Ook wordt de rust van de sabbathdag opnieuw benadrukt (vs.12). De drie genoemde feesten dienen jaarlijks om de Heere te danken, te dienen en te eren. We lezen erover in vier boeken: Exodus, Numeri, Leviticus en Deuteronomium.
Het eerste feest is het feest van de ongezuurde broden in de maand Abib, na het slachten van het Paaslam, ter herinnering aan de verlossing uit Egypte. De andere feesten zijn het Pinksterfeest bij het verzamelen van de eerste oogst en het Loofhuttenfeest na de volledige oogst.
Deze feesten zijn voor heel het volk, maar alleen jongens en mannen moeten met vrijwillige gaven (Deut. 16:10) en blijdschap voor het aangezicht van de HEERE verschijnen. Vervolgens volgen instructies voor de offers bij deze drie feesten.
Vanaf vers 20 lezen we over de Engel van de HEERE, de Zoon van God, Die het volk voor zal gaan in de woestijn. Hij zal hen onderweg bewaren en veilig in het land Kanaän brengen.
Dat deze engel geen gewone engel is, blijkt uit verzen 21 en 22. Daar lezen we dat God Zelf in Zijn openbaring in het binnenste van deze Engel is. Zijn stem is wat God spreekt: Hij is de mond van God. Hij heeft de macht om te vergeven of niet te vergeven.
Zonder dat deze namen hier worden gebruikt, is het God de Zoon, die ook God is, die door de Vader wordt gezonden om Gods volk te leiden naar het beloofde land.
Ook zal God de inwoners van dat land Zelf verdrijven. Laten ze Hem dan gehoorzamen (vs.22). Weer horen ze het bevel om de afgoden van die volken niet te dienen. De HEERE wil een heilig volk dat Hem trouw is en zijn vertrouwen op Hem stelt. In die weg maakt Hij Zijn beloften waar.
Waarmee kunnen we de feesten van toen vergelijken voor nu?
Zingen: Ps. 97:3,4