LEZEN: Ps. 21:1-14: … U komt hem tegemoet met rijke zegeningen … eeuwig en altijd … U stelt hem voor eeuwig tot grote zegen … door de goedertierenheid … De HEERE zal hem in Zijn toorn verslinden …
Het is mogelijk deze Psalm te zien als een vervolg op Ps. 20. Daar wordt gebeden om de overwinning, hier is de overwinning een feit en reden tot grote vreugde in de HEERE. Vers 2: “De wens van zijn hart hebt U hem gegeven, het verzoek van zijn lippen hebt U hem niet onthouden”.
Het loflied op de rijke zegeningen van de HEERE in vers 4-7 overstijgt het aardse leven van de koning: het leven eeuwig en altijd. Dat betekent hier dat Gods zegeningen over David zich zelfs uitstrekken over de komst, het werk en de overwinning van zijn grote Zoon, de Christus.
David reageert op wat de HEERE hem Zelf heeft toegezegd. 2 Sam. 2:16: “Uw huis en uw koningschap zullen voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn”. Later wordt daarop teruggegrepen door de dichter van Ps. 89:4,5,37: “Ik heb Mijn dienaar David gezworen: Ik zal uw nakomelingen tot in eeuwigheid stand doen houden, uw troon bouwen van generatie op generatie … Zijn nageslacht zal voor eeuwig blijven, zijn troon zal vóór Mij zijn…. Ook in Ps. 132: 12 lezen we dit.
Vers 7 spreekt ervan dat de HEERE de koning voor eeuwig tot grote zegen stelt. Ook dit is een Messiaanse profetie in het verlengde van Gen. 12:1 waar God in Zijn verbondsbelofte aan Abraham stelt: “en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden”.
Dat David Gods gunstgenoot is, rust op Gods goedertierenheid, Zijn genade en trouw (vs.8). Zo is er enerzijds in Christus Gods zegen over allen die Hem liefhebben, het ware, gelovige nageslacht van Abraham.
Maar anderzijds is er Gods toorn als een verterend vuur voor allen die Hem haten (vs.10). Hun haat is niet alleen op David als Gods gezalfde, maar zo ook op God Zelf gericht.
Vers 8-14 hebben dezelfde boodschap als Psalm 2. Zo is vandaag de haat van de wereld jegens de kerk ook haat jegens God en Christus. Op de jongste dag blijkt bij Gods eindgericht dat de zaak van de kerk de zaak van de Zoon van God is (NGB, art. 37).
Is er reden tot blijdschap bij Gods oordeel?
Zingen: Ps. 21:1,3,4
