Menselijk lichaam
Paulus vergelijkt in 1 Kor. 12 de kerk met een menselijk lichaam, met armen, benen, handen, voeten, ogen, oren, een neus enz. Dat wijst op de verscheidenheid in gaven en krachten. Hij zegt in vers 11: al die verschillende ledematen, al die leden van één lichaam, zijn hoe veel ook, toch samen één lichaam.
Ze functioneren als een eenheid, het zijn maar niet losstaande leden. De leden van Christus’ kerk vormen samen het lichaam van Christus. Hij brengt ze bij elkaar door Zijn Woord en Geest. Daarom kennen ze geen op zichzelf staand, zelfstandig leven meer, ze zijn aan elkaar verbonden in Christus.
Ter vergelijking wijst Paulus op het menselijk lichaam. Dat is met zoveel leden een levende, werkzame eenheid. Daarvan zegt Paulus in vers 12: “zo is het nu ook met Christus”. Verrassend! Paulus zegt niet “zoals het met het lichaam is, zo is het ook met de kerk.” Maar waarom zegt Paulus “zo is het ook met Christus? Omdat we als leden in Christus zijn opgenomen, in Hem zijn ingelijfd.
En zo in Hem tot een lichaam zijn geworden. Christus is de kern van onze eenheid.
Paulus maakt dit in vers 13 ook duidelijk met het beeld van de doop: wij zijn tot één lichaam gedoopt”. Dat gebeurde bij hun bekering. Met hun doop maakte Christus zich één met hen en werden ze ingelijfd in zijn kerk. Daar ontvingen ze de gave van de Geest. De Geest van Christus. Door deze éne Geest werden ze hoe verschillend ze ook waren, Joden, Grieken, slaven, vrijen doordrenkt.
De ene Geest
Paulus wijst de Korintiërs hier op de ene Geest van Christus: Hij heeft in jullie gewerkt, Hij heeft jullie allemaal tot geloof gebracht, Hij deed jullie allemaal je doop ondergaan. Hij, die ene Geest woont en werkt nu in jullie. Daarom hebben jullie de gezindheid van de ene Geest in dat ene lichaam van Christus. Met alle verscheidenheid aan afkomst, gaven of maatschappelijke status.
Wat een diepe omschrijving voor de kerk! Wij hebben elkaar niet uitgezocht. Nee, de Geest van Christus bracht ons samen in de kerk. Hij verbond ons daar aan elkaar door in ons te wonen en te werken. Het wonder van eensgezindheid beperkt zich dus niet tot de Pinksterdag of tot de pinkstergemeente van Jeruzalem. Het gebeurt overal waar de Geest van Christus mensen tot geloof brengt en ze inlijft in de kerk van Christus als zijn ene lichaam. De kerk als de gemeenschap der heiligen is daarom woon- en werkplaats van de Heilige Geest.
Dus de Geest van Christus die in Hem woont, verbindt je aan Christus en vervolgens ook onderling. Dan heb je in alle verscheidenheid niet alleen hetzelfde geloof, maar ben je ook op elkaar gericht om samen in onderlinge broederliefde eendrachtig de Heere te dienen en te eren in heel je leven.
De vraag die wij ons als gemeente moeten stellen is dan ook: zijn wij ook zo één van hart en één van ziel? Laten we zien dat we doordrenkt zijn van één Geest. Blijkt dit ook in onze onderlinge omgang in onze plaatselijke kerk? Of heeft het individualisme van onze tijd ook ons hart veroverd?
Elk op een afzonderlijke plaats
Paulus is zich heel goed bewust van de grote verscheidenheid in de gemeente.
We zijn wel samen één lichaam maar we zijn echt niet allemaal hetzelfde.
We zijn echt heel verschillend qua eigenschappen en mogelijkheden. Eigenschappen die zomaar zouden kunnen botsen en mogelijkheden die ver uit elkaar kunnen liggen. Dat is een belangrijke vaststelling. Maar kijk dan eens naar je lichaam. Die bestaat niet uit één lid, of één soort lid. Nee, er zijn vele verschillende leden, die ook een verschillende werking hebben.
Paulus noemt vanaf vers 14 een aantal van die leden op, hij zegt ervan: het is een speciaal lid, anders dan de anderen, maar ook juist dit lid hoort bij het lichaam. Kijk naar je voeten, die zijn echt weer anders dan je handen of je oren. Maar daarom horen ze nog wel echt bij het lichaam. Kijk naar je oren, die zijn echt anders dan je ogen, maar daarom zijn ze nog wel onmisbaar voor het gezond functioneren van het lichaam. En ga zo maar door.
Eenheid en eensgezindheid wil absoluut niet zeggen dat je allemaal precies hetzelfde bent of moet zijn. Nee, dat bewijzen al die verschillende ledematen van ons lichaam. Paulus zegt: we hebben de verscheidenheid in ons lichaam zelfs nodig om een echt lichaam te kunnen zijn!
Vers 17: Als het hele lichaam oog was, hoe kan je dan horen, en als het hele lichaam oor was hoe kan je ruiken?
Kortom, hoe kun je als lichaam functioneren, als de leden niet een verschillende functie hebben die nodig is voor het gezonde functioneren van het geheel?
Ook voor de kerk geldt dat er verschillende soorten leden nodig zijn, om een gezond lichaam te kunnen hebben. Tot nut van elkaar. Bovendien heeft God dit zo gewild, zegt vers 18.
Wat Paulus zegt over het functioneren van de gemeente als één lichaam heeft ons veel te zeggen over de onderlinge omgang binnen de gemeente. Want ook wij we kunnen niet zonder de ander, juist omdat die ander anders is. Een andere aanleg heeft, andere gaven bezit, andere mogelijkheden. In de kerk hebben we elkaar echt allemaal nodig. Niemand uitgezonderd. Daar heeft God voor gezorgd. Dat geldt ook voor hen, voor wie het niet meer mogelijk is de kerkdienst te bezoeken.
(wordt vervolgd)
