LEZEN: Rom. 12:1-3: … dat is uw redelijke godsdienst …
Paulus vervolgt zijn woorden van lof over Gods genade met een aansporing. Bij de aanbidding van God vanwege Zijn ontferming hoort ook toewijding aan Hem. Paulus noemt zo’n reactie “redelijk”, letterlijk: “logisch”. Het betreft ons antwoord op Zijn onvoorstelbaar grote genadegaven. God kwam namelijk eerst met Zijn beloften en de vervulling ervan in Christus, met als vooruitzicht de eeuwige heerlijkheid.
Als we dat erkennen en God daarvoor onze dank uiten, zullen er vruchten van geloof moeten komen en een toename in de gemeenschap met Christus. Dan zal onze dienst aan God ook tastbaar moeten zijn: toewijding van ons leven aan God als een levend offer.
Wat wordt met dit offer bedoeld? Het is geen tegenprestatie voor wat God in Christus en door Zijn Geest in ons werkt. Het is een dankoffer waartoe de Heilige Geest ons brengt. Wij geven ons dan zelf, niet maar voor een deel, maar als geheel – innerlijk en uiterlijk – aan de Heere in Zijn dienst en tot Zijn eer.
Het is de invulling van het grote gebod dat God als antwoord op Zijn liefde vraagt: “U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht” (Marc. 12:30). Dat offer moet ook heilig zijn: passen bij Gods heiligheid, overeenkomstig Zijn Woord, met afkeer van de zonde.
Zo kan het God ook aangenaam zijn (Hebr. 12:28). Dat vraagt een leven bij en uit Gods Woord met de bede om de Heilige Geest, dat Hij ons leven vernieuwt (letterlijk: een metamorfose geeft), grondig verandert. Daarbij hoort het nodige inzicht in en de nodige hulp voor de strijd tegen de gezindheid van de wereld zonder God.
Weer wijst Paulus erop dat we geen hoge dunk van onszelf moeten hebben, waarbij wij ons beter achten dan onze broeders en zusters. Hij onderstreept dit door op zijn door Christus geschonken apostelambt te wijzen. Je dienst aan de Heere moet vooral blijken uit getoonde broederliefde. Dat werkt Paulus uit in wat volgt.
Hoe vaak bid je om de Heilige Geest en waarvoor?
Zingen: Ps. 50:11
