LEZEN: 2 Kon. 8:1-29: … hongersnood … na verloop van zeven jaren … laat zij alles wat van haar is, terugkrijgen … waarom huilt mijn heer … kwaad … Jehoram … DE HEERE wilde Juda niet te gronde richten om-wille van Zijn dienaar David … alle dagen voor zijn zonen een lamp … Ahazia … trok met Joram, de zoon van Achab ten strijde …
Er komt opnieuw gericht over Israël wegens de onbekeerlijkheid van koning en volk. Ditmaal in de vorm van ernstige en zeven jaar durende hongersnood. De Sunemietische vrouw die van haar geloof getuigd heeft, wordt met haar gezin in veiligheid gesteld. God zorgt nu voor haar; Hij helpt in nood. Dit krijgt volle aandacht in de tekst want dit gezin is een uitzondering.
Elisa moet mu volgens de goddelijke instructie aan Elia, Hazaël tot koning over Syrië zalven (1 Kon. 19:8). Daarvoor gaat Elisa naar Damascus. Dat begint ermee dat de zieke koning Benhadad Hazaël naar Elisa stuurt om hem te laten genezen. Hij neemt een enorm geschenk voor Elisa mee, die hier “de man Gods” genoemd wordt.
In feite houdt dit een zekere erkenning in van de Syriërs dat God werkelijk God is. Zij kennen ook de wonderlijke genezing van Naäman. Wat Elisa zegt, houdt waarschijnlijk in: stel de koning maar gerust dat hij beter wordt, maar ik zeg aan u: hij zal sterven.
Elisa kan zich niet meer groot houden als hij beseft dat Hazaël nu in plaats van Benhadad koning wordt, omdat hij afschuwelijke handelingen met Israël zal uitvoeren. Zijn tranen zijn er vanwege de verdiende straf van God over Zijn volk door de wrede Hazaël. Die straf komt over de verbondsverlating van Israël. Ook het boek Klaagliederen van de profeet Jeremia gaat over ditzelfde verdriet als Jeruzalem verwoest wordt door de Babyloniërs.
Hazaël keert terug naar zijn land, vermoordt koning Benhadad, en wordt koning in zijn plaats. Zowel in Juda als Israël zijn er nu koningen die slecht handelen: Jehoram over Juda en Joram over Israël. Beide krijgen te maken met nederlagen tegen hun vijanden als straf van God.
Is er in onze tijd reden tot huilen zoals bij Elisa / Jeremia?
Zingen: Ps. 12:1,5
