LEZEN: Ps. 34:1-23: … Hij redt hen uit al hun benauwdheden ….
De achtergrond van deze Psalm is de gebeurtenis dat David in zijn vlucht voor Saul wordt gevangengenomen door de Filistijnen bij de hem vijandig gezinde Filistijnse koning Achis. Hij doet zich dan voor als krankzinnige, waarop Achis (met de titel Abimelech, koning) hem laat gaan (1 Sam. 21).
Die bevrijding heeft hij geheel aan God, Die alles bestuurt, te danken. David nodigt speciaal daarvoor allen uit om met hem de HEERE te danken en te prijzen.
In vers 5-9 doet hij een dichterlijk verslag van het gebeuren. Alles betrekt hij op het werk van de HEERE. Hij schiet bijna tekort aan woorden om zijn dank aan en vreugde over de HEERE te uiten: loven, beroemen, grootmaken, roemen van Zijn naam. David roept de zachtmoedigen, de gelovigen, op om dit met hem te doen.
Zijn eigen dubieuze optreden laat hij buiten beschouwing, wel noemt hij zijn gebed dat hij bij koning Achis uitsprak tot de HEERE. De HEERE heeft hem gered uit al wat hij vreesde (vs.5); als ellendige riep hij tot God en de HEERE hoorde, en verloste hem uit al zijn benauwdheden.
Dit verlossingswerk schijft David speciaal toe aan de Engel des HEEREN. Hij is als Zoon van God de aanvoerder van de hemelse legermachten van engelen (Joz. 5:4; 1 Kon. 22:19; Jes. 43:9).
Dat de Engel des HEEREN zich legert, wil zeggen dat al Zijn engelen dit doen. Zij worden ingeschakeld voor de verlossing van Gods kinderen, die de HEERE vrezen. Ook al worden ze niet met onze ogen gezien, ze garanderen onze veiligheid (Ps. 91:11,12; vgl. de bewaring van de inwoners van Dothan bij het verblijf van Elisa daar, 2 Kon. 6:17). Dit vraagt geloof, maar dan is de uitkomst ook zeker (vs.9).
Dat geldt voor allen die de HEERE met een oprecht hart liefhebben en dienen. Ze zullen altijd het nodige ontvangen dat goed voor hen is in hun dienst aan de HEERE (vs.10,11; Ps. 23:1; Rom. 8:28).
Laten we als Gods kinderen naar Hem luisteren, Hem volgen; dant leer je het ware leven kennen: de gemeenschap met God in Christus (vs.12,13). Daarbij is nodig af te zien van het kwade, het goede te doen en de vrede na te jagen (vs.14,15).
Je zult van de HEERE op je gebed dan altijd verlossing en verzoening mogen verwachten (vs.16-23).
Hoe vaak hebben we zulke smeekgebeden nodig?
Zingen: Ps. 34:5,7,8
