LEZEN: Kol. 3:5-10: … Dood dan uw leden die op de aarde zijn …
In het voorafgaande wees Paulus erop dat je je niet moet binden aan aardse zaken los van Christus, maar dat geldt niet voor Gods geboden! Integendeel die horen bij het navolgen van Christus. Hij heeft in Zijn leven de wet van de tien geboden in zijn diepste betekenis voor ons uitgelegd in de Bergrede, Hij heeft ze ook allen volmaakt gehouden ons te voorbeeld (Matt. 5:18-20).
Deze wet is voor de gelovige niet om wat ook maar te verdienen, maar uitsluitend een zaak van dankbaarheid die voortvloeit uit het één zijn met Christus. Je bent Zijn eigendom geworden als kerklid, en je bent Zijn lichaam geworden als kerk. Alles in je leven moet door Hem beheerst worden. Hij is je leven (3:4), nu al op aarde.
De conclusie daarvan is dan ook: vers 5: Dood dan je leden die op de vleselijke zondige aarde zijn, dat is je zondige aard met zondige werken, je oude mens.
In Rom. 7 noemde Paulus zijn oude mens met zijn daden, ook al zijn “leden”, die strijd voerden tegen zijn bekeerde hart (zie Rom. 7:14-20). Het “doden” houdt in dat je strijdt tegen zondige gedachten, woorden en daden.
Paulus noemt er hier een aantal op in vers 5, 8 en 9. Dat vraagt dagelijkse strijd, waaraan in dit leven nog geen einde komt. Toch wil de Heere die strijd zien, Hij zal je er ook in sterken door Zijn Woord en Geest (Ef. 6). Want deze oude mens, zoals die er was van voor je bekering (vs.7), is toch uitgetrokken bij je bekering? Dat is het werk van de Geest van Christus.
Toch zijn er nog resten over als zonde die nog tegen onze wil in ons achtergebleven is (zie avondmaalsformulier). Daarom vraagt de Heere een aanhoudende strijd: de achtergebleven leden moeten worden gedood, afgelegd.
Daarnaast mogen we voortdurend de nieuwe mens aantrekken zo vaak de Heilige Geest ons hart vernieuwt. Die is nog niet volmaakt maar bij een gelovige gaat het van kracht tot kracht, ondanks vallen en opstaan.
We worden zo steeds meer naar het beeld van Christus vernieuwd. De vraag die we ons moeten stellen is: Wat zien we daarvan bij onszelf? Hoe gaan we daarmee naar Christus?
Tegen welke zonden is het moeilijk strijden?
Zingen: Ps. 101: 2,3,5
