LEZEN: Ps. 73:1-28 … totdat ik op hun einde lette … Wie heb ik behalve U in de hemel? … het is voor mij goed dicht bij God te zijn …
Asaf twijfelde aan de HEERE: is God wel goed voor hen onder Zijn volk, die Hem trouw zijn en Hem liefhebben, die ‘zuiver’ van hart zijn, de ‘rechtvaardigen’, die leven uit de vergeving van hun zonden?
Eerst was Asaf jaloers op de goddelozen onder het volk: zij hebben het immers in tegenstelling tot vele ware gelovigen, goed in dit leven: ze kennen geen spanning en krijgen wat hun hart begeert. Daarnaast zijn ze hoogmoedig en buiten anderen uit, zonder gestraft te worden (vs.3-9).
Hiertegenover kent Asaf in eigen leven juist moeite, die hij ervaart als straf van God (vs.14). Hij vraagt zich af of in dit leven het hebben van geloof wel het verschil maakt met ongelovigen. Treedt God dan niet op tegen goddelozen? Hij ervaart dit als een aanvechting van zijn geloof.
Toch blijkt uit de Psalm dat God Asaf helpt in die aanvechting, waardoor hij in zijn geloof kan volharden dwars door de moeiten heen. Het eerste dat Asaf noemt waardoor hij niet zover is gegaan de HEERE af te zweren, is de band van verbond en geloof die hij heeft met de andere kinderen van God: Gods volk, het ware Israël, de kerk (vs.15). Hij wil trouw blijven aan Gods kerk, die toch verlost is en Gods gunst geniet.
Toch is dat niet voldoende omdat waar geloof geen zaak van traditie is. Asaf gaat ook naar de HEERE Zelf in Zijn heiligdom. Daar leert hij dat de goddelozen geen heerlijkheid tegemoet gaan bij hun einde, hun dood. Voor de gelovige is de eeuwige toekomst heerlijk, maar hoe anders is dat voor de goddeloze! God leert hem dat de beslissing over de bestemming na de dood in dit leven valt.
Nu beseft Asaf hoe onverstandig hij was in zijn denken. Tegelijk ervaart hij dat de HEERE hem heeft vastgegrepen zodat hij ondanks alles in zijn geloof kon volharden. Gods Heilige Geest greep hem en gaf hem inzicht in het geheim van het geloof. Hij gaf kracht aan zijn geloof. Asaf ziet in hoe dwaas hij gedacht heeft: ‘als een redeloos dier’ (vs.22).
Hij zingt het nu uit dat hij niet zonder God kan. Hij wil altijd dicht bij Hem blijven en getuigen van Gods grote daden.
Herkennen wij de strijd in deze Psalm?
Zingen: Ps. 73:1,9,11
