LEZEN: Ps. 82:1-8 … Sta op HEERE, oordeel de aarde …
Net zoals koningen en staatshoofden het land moeten regeren namens de Heere God, waarbij ze in Zijn dienst staan, zo zijn ook rechters geroepen om hun rechtspraak te beoefenen zoals God dit vereist, naar Zijn Woord. Alleen vanwege hun ambt en roeping worden ze hier ‘goden’ of ‘zonen’ genoemd; zelf zijn ze niet goddelijk. Het geldt hier speciaal rechters die goddelozen bevoordelen door een corrupte rechtspraak ten koste van onschuldigen. God zal hen daarvoor oordelen.
De Heere Jezus wijst op deze Psalm in Joh. 10:34-36 waar hij de leidinggevende Joden aanspreekt na de gelijkenis van de goede Herder. Ook zij zijn ‘goden’, die geroepen zijn om Hem te erkennen als de Gezondene van de Vader, maar in plaats daarvan willen ze Hem stenigen.
In de Psalm roept de HEERE via de dichter op om zich te bekeren: Hoelang nog? Hij wijst hen dan ook de juiste weg: ‘Bevrijd de geringe en de arme, ontruk hen aan de hand van de goddelozen’ (vs.4). Zoals in meerdere psalmen staan de geringen, armen en ellendigen voor de ootmoedige gelovigen die juist vanwege hun geloof door goddelozen onderdrukt worden. In het boek Job laat Job in zijn verdediging een heel andere toepassing van Gods beleid zien (Job 29:12,13;16,17).
De HEERE stelt voor Zijn oordeel vast dat de ‘goden’ in de duisternis rondwandelen. Ze willen niet bij het licht van Zijn Woord hun werk doen: de waarheid spreken en het recht laten gelden, zodat de samenleving in vrede leeft tot eer van God. In plaats daarvan wandelen ze in de duisternis van kwaad en onrecht (1 Joh. 2:11) waardoor de kerk het zwaar te verduren krijgt. Maar het oordeel van God over deze hooggeplaatsten is: ‘u zult sterven als een mens’, vs.7.
Als reactie daarop eindigt deze Psalm met een bede: ‘Sta op, o God, oordeel de aarde, want Ú bezit alle volken’. Art. 37 NGB zegt over dit eindoordeel tot troost van de verdrukten: ‘Dan zal blijken dat hun zaak, die nu door veel rechters en overheden als ketters en goddeloos veroordeeld is, de zaak van de Zoon van God is’.
Wie worden tegenwoordig onrecht aangedaan?
Zingen: Ps. 82:1,3
