LEZEN: Luk. 3:1-9: … Breng dan vruchten voort in overeenstemming met de bekering …. De bijl ligt zelfs aan de wortel van de bomen …
Vers 1 geeft de politieke en kerkelijke situatie aan waarin Johannes de Doper als heraut van Jezus zijn levenswerk zal doen. Hier zijn al de mensen die Jezus zullen veroordelen tot de kruisdood. Dat levenswerk is al vóór zijn geboorte door een engel aangekondigd aan zijn vader Zacharia (Luk. 1:11-17). En kort na zijn geboorte was Zacharia zelf profeet om dit aan te kondigen (Luk. 2:67:79).
Al snel verblijft Johannes in de woestijn van Juda om zich voor te bereiden op zijn openlijk optreden. Dan kom het moment dat Johannes de eenzaamheid in de woestijn verlaat om in de grote omgeving van beide oevers van de Jordaan te prediken.
De prediking van Johannes is een oproep tot bekering. Bekering in de zin van oprecht berouw over de zonden met schuldbelijdenis, het verlangen naar vergeving ervan en het voornemen tot breken met de zonden. Maar ook een bekering in de zin van het voortbrengen van vruchten, een verandering tot een leven overeenkomstig Gods Woord uit dankbaarheid (vgl. vs.8,9).
Dat betekent een metamorfose, een omvorming van het hart. Alleen mensen die dit verlangen hebben, wil Johannes dopen. Want de doop van Johannes beeldt dit uit: de zonden moeten worden afgewist. Dan zullen deze weg zijn voor het aangezicht van God, zoals de met zonden beladen en weggezonden geit dit op de grote verzoendag uitbeeldt (Lev. 16:8,20-22).
Johannes maakt daarnaast bekend wie hij is: voorbereider van de Christus, de Zaligmaker. Hij doet dat met een verwijzing naar Jesaja: “de stem van iemand die roept in de woestijn: maak de weg van de Heere gereed … en alle vlees zal de zaligheid zien die van God komt” (vs.4-6).
Heel indringend roept hij de mensen toe: adderengebroed, dat wil zeggen: jullie zijn misleiders, die uit zijn op de ondergang van mensen. Zonden, die toegedekt en niet beleden worden, leiden immers tot Gods wraak op Zijn oordeelsdag. Alleen verbondskind of kerklid zijn – alleen zeggen: “wij hebben Abraham tot vader” – helpt niet tegen het oordeel. Daarvoor is wedergeboorte nodig.
Zijn wij van onszelf ook “adderengebroed”? Zingen: Gez. 8:3
