Ons gebed in onze geloofsgemeenschap met God 4

by S. de Marie | 31 oktober 2026 06:00

Verhoring
Hoe staat het nu met de verhoring van onze gebeden? Krijgen we echt wat we vragen? Met het ‘Amen’ aan het einde van ons gebed, heeft de Heere Jezus ons geleerd: verhoring staat vast. Je mag er echt op vertrouwen dat God naar je gebed zal luisteren en er antwoord op geven. Maar hoe zien we dat in de praktijk?
Allereerst geeft de Bijbel duidelijk aan dat we met zekerheid de verhoring van ons gebed mogen verwachten. Als het oprecht is gebeden, overeenkomstig Gods Woord. Die zekerheid is er in Christus. De Heere Jezus leerde dit in de gelijkenis van de man die zijn vriend midden in de nacht aan broden helpt (Luk. 11:5-8).

Soms is aanhoudend gebed nodig. De Heere Jezus leerde dit in de gelijkenis van de weduwe en de onrechtvaardige rechter uit Luk. 18:1-8. Ook gaf Hij gebedsonderwijs hoe intensief voor het nodige gebeden mag worden: Bid, zoek, klop.(Matt. 7:7-11; Luk. 11:9-13). Eigenlijk staat er blijf bidden, blijf zoeken, blijf kloppen.
Driemaal: dat wijst op een dringend, aanhoudend gebed. Ook met toenemende intensiteit. Bidden is dringend vragen naar het nodige, waar je zelf geen recht op hebt. Als je het echt nodig hebt, zul je het niet bij één keer of een paar keer vragen laten, maar ga je ermee door totdat je het gevraagde uiteindelijk ontvangt. Je mag immers verwachten dat de Heere je zal verhoren.

Zoeken vraagt meer actie. Je bidt, maar werkt er nu ook aan. Je zoekt Gods koninkrijk en Zijn gerechtigheid. Dat wil zeggen: je houdt bij wat je vraagt, rekening met wat God wil uitwerken, wat past in Zijn beleid. Dat zoeken houdt dan ook in dat je uit Gods Woord Zijn beleid wil kennen. Je gebed mag daar niet tegen ingaan. Aan de andere kant zal je intensiever mogen vragen als het gevraagde overeenstemt met Gods geopenbaarde wil.  

Onverhoord?
Maar ook dan kan het zijn dat je het zo nodige niet ontvangt. Dan zegt de Heere nog: ‘Klop’. Kloppen is nog intensiever: met de grootste aandrang worstelen met de Heere: Heere doe mij toch open. Heere hoor toch mijn gebed en zie toch mijn nood!
Kloppen tot er open gedaan wordt. Tot de Koning, Die onze Vader is, voor ons de deur opent en ons alles geeft wat nodig is.
De Heere Jezus is zeker van Gods antwoord op deze gebedspraktijk: Hij zegt:
“Bid, en u zal gegeven worden, zoek, en u zult vinden; klop, en er zal voor u opengedaan worden.”

Niet alle gebeden krijgen van God een directe verhoring. Maar wel als we terecht pleiten op Gods beloften. Maar dat is vaak niet gelijk aan het vervullen van ónze wensen. Daarom zullen wij onze wensen die we bij de Heere neerleggen ook moeten richten op Gods wil, op Zijn beloften en op onze dienst aan Hem.
De Heere zal Zijn eigen beloften altijd vervullen. Zij het niet altijd op de wijze die wij ons voorstellen. De eerste grote belofte die de Heere ons wil geven, is de gave van de Heilige Geest. Juist deze gave noemt de Heere Jezus in Luk. 11:13 als het allesomvattende bewijs hoe goed God is voor ons als Zijn kinderen en hoe trouw Hij daarbij is aan Zijn beloften.
Jakobus wijst op de verhoring van de gebeden van Elia. Hij zegt daarbij: Elia was een mens net zoals wij. M.a.w. dit geldt ook voor de verhoring van onze gebeden als wij maar op de juiste wijze pleiten op Gods beloften.

Er zijn ook gebeden waar we geen enkele verhoring van kunnen ontdekken. Dan moeten we ons allereerst afvragen of er geen belemmering is van onze gebeden door een ongelovige houding of niet beleden zonden (1 Petr. 3:7, Jak. 4:2).Ook zal dan onze vraag moeten zijn: hebben we wel steeds goed gebeden, naar Gods wil, zonder te twijfelen en met de juiste verwachting (Jak. 1:6-8) .
Als we geen belemmering zien, dan zullen we toch moeten aanvaarden, dat de Heere het ánders heeft goed gedacht dan wij hebben bedacht. Zelfs in onze vurige smeekgebeden zeggen we toch ook: “Maar Uw wil geschiede”.

Altijd het goede
De Heere Jezus leerde Zijn discipelen over Gods manier van verhoring in Luk. 11:11-13: “Als je zoon je om een vis vraagt, zal je hem toch geen slang geven”. De Heere zei daarmee niet: “dan geeft je hem een vis”. Maar dan zul je hem niet het kwade geven, maar het goede. Dat is in dit geval iets goeds te eten. Dat kan een vis zijn, maar ook iets anders. De Heere geeft ons op ons gebed dus het goede, ja het beste, ook al zien we dat zelf niet altijd zo (Rom. 8:27).

Paulus heeft de Heere drie keer gebeden of God een kwelling van hem wilde weghalen. Een doorn in het vlees, die hem zo hinderde dat hij deze omschreef als een engel van de satan die hem met vuisten sloeg’. Maar het antwoord van de Heere was: “Mijn genade is u genoeg”, 2 Kor. 12:9. Paulus moest genoeg hebben aan de genade van de Heere. Dat Hij naar Paulus had omgezien, hem had gered van de ondergang, en hem zelfs tot Zijn apostel had gemaakt. Ook wij moeten dit leren aanvaarden, zodat we ook steeds kunnen blijven zeggen: “De Heere is mijn herder, mij ontbreekt niets”, (Psalm 23).

(Wordt vervolgd)

Source URL: https://www.bouwen-en-bewaren.nl/2026/10/31/ons-gebed-in-onze-geloofsgemeenschap-met-god-4/