LEZEN: Gen. 46:1-7; 26-34
Daarna kwam Israël in Egypte, Jakob verbleef als vreemdeling in het land van Cham. – Ps. 105:23
De 130-jaar oude Jakob gaat met zijn zonen en hun vrouwen, zijn dochters, zijn kleinkinderen (totaal 70 mensen, de vrouwen meegeteld), hun tenten en hun hele veestapel op reis van Hebron naar Egypte. Eerst reizen ze naar de meest zuidelijke stad van Kanaän: Berseba. Het is de plaats waar de HEERE in het verleden bij een hongersnood Izak heeft verboden naar Egypte te gaan (Gen. 26).
Hier gaat Jakob niet verder. Hij wil de HEERE raadplegen en brengt offers. Dan spreekt God door nachtelijke visioenen tot Jakob en stelt hem niet alleen gerust maar bemoedigt hem bovenmate: “Ik zal u daar tot een groot volk maken. Ik zal met u meetrekken naar Egypte en ik zal u zeker doen terugkeren; en Jozef zal uw ogen sluiten.”
Jakob weet uit het woord van de HEERE aan Abraham dat zij vier eeuwen in een vreemd land zullen verblijven, met onderdrukking (Gen. 15:13). Maar God gaat mee en garandeert ook de terugkomst.
De ontmoeting van Jakob met Jozef is uiterst ontroerend. Ze huilen lange tijd bij een innige omhelzing. Jakob (de mens die zwak is) wordt weer Israël (de mens die het van God verwacht) genoemd als hij uitspreekt: “nu kan ik sterven, nu ik je gezicht weer gezien heb, want je leeft nog.”
Er is nog wel een probleem. De hele familie van Jakob is schaapherder. Dat lijkt een beminnelijk beroep maar bij de Egyptenaren is dat anders. In hun ogen is elke herder van kleinvee een gruwel: daar hebben ze een hekel aan.
Wat daarvan de reden is, is niet duidelijk, maar mogelijk is het de geur die van de dieren op de herders achterblijft. Het zal hen kunnen helpen om een apart gebied in Egypte te mogen bewonen, waar ze geen aanstoot geven aan de andere inwoners.
Vooral is van belang dat Gods volk zich niet vermengt met de heidense bevolking. Vandaar dat Jozef adviseert om er ronduit voor uit te komen, dat ze altijd al herders van schapen zijn geweest.
Waarom zou God Zijn volk in Egypte laten blijven?
Zingen: Ps. 86:5
