LEZEN: Gen. 47:13-27: Er was in heel het land geen brood meer … In ruil voor het koren dat men kocht, zamelde Jozef al het geld in … Jozef bracht dat geld naar het huis van de farao … Jozef zei geef uw vee … Zo kocht Jozef al de grond in Egypte … Zo werd het land het eigendom van de Farao. … hier is zaad voor u … het vijfde deel aan de farao … Zo woonde Israël in het land Egypte, in de landstreek Gosen. Daar verwierven zij bezit. Zij waren vruchtbaar en werden talrijk.
Er is onder het beheer van Jozef zo enorm veel koren opgeslagen, dat de voorraad ook bij het doorzetten van de hongersnood niet opraakt, zelfs niet bij de aankoop van vele mensen uit andere landen.
Alleen krijgen de kopers van het koren een probleem: ze hebben op een gegeven moment niet genoeg geld meer. Daarom gaan ze hun grondgebied verkopen aan Jozef, die vervolgens alles weer doorspeelt naar de farao.
Uiteindelijk bieden ze zichzelf aan om in loondienst van de farao te werken. Ze hebben er alles voor over om samen met hun gezinnen in leven te blijven. Daar staat tegenover dat Jozef hen ook zaad geeft zodat ze zelf koren en gewas kunnen verbouwen om in de toekomst in hun levensonderhoud te kunnen voorzien.
Jozef is door zijn jarenlange beleid van verzamelen en opslag van koren dienstbaar voor de levens van alle Egyptenaren en vele inwoners van omringende landen, de familiekring van Jakob en de rest van Egypte.
Maar terwijl eerst uitgebreid verteld wordt dat het de Egyptenaren zelfs hun eigen lijf kost om in leven te blijven, blijkt hoe anders het het volk Israël vergaat (vs.27). Zij kennen geen hongersnood, en zelfs geen verlies van bezit. Integendeel, de HEERE zegent hen met vruchtbaarheid en zelfs met toename van bezit. Ze worden dan ook zeer talrijk.
Het volk is daar als vreemdeling, maar wel met hun God die hen zegenrijk voorziet van al het nodige, ook in materieel opzicht. Laten ze dan de HEERE God hun dankbaarheid tonen, in het isolement blijven en geen afgoden dienen!
Wat voor welvaart hebben wij vandaag als kerk?
Zingen: Ps.65:5
