LEZEN: Gal. 2:11-14: … waarom dwingt u dan de heidenen op de Joodse manier te leven?
Paulus maakt de gemeente van de Galaten duidelijk dat hij het ware evangelie verkondigt en in praktijk wil brengen. Als je daar bezwaar tegen hebt, moet je je niet op de persoon van een ander beroepen, maar moet je bewijs leveren uit Gods Woord.
Paulus laat in de tekst van vandaag zien, dat hij vanuit het evangelie dat hij verkondigt, een andere apostel, Petrus, heeft moeten terechtwijzen.
Het komt erop neer dat Petrus wel achter het evangelie staat waarin geen plaats meer is voor spijswetten van reine en onreine dieren. Hij heeft daarover zelfs een speciale openbaring ontvangen (Hand. 10:9-16).
Petrus hoorde daarbij: “ Wat God gereinigd heeft, mag u niet voor onheilig houden” Dat betekent dat Joden en heidenen ook hetzelfde voedsel mogen eten; Christus heeft immers met Zijn offer die spijswetten vervuld.
Maar als Paulus Petrus in Antiochië ontmoet blijkt dat deze toch weer samen met de Joden daar gescheiden van de andere broeders optrekt bij het eten. Paulus heeft hem daar streng op aangesproken. Petrus gaat immers door zijn gedrag tegen God, het evangelie en zijn eigen overtuiging in.
Hoe komt Petrus zover om zich aan te passen aan die “strenge” Joodse christenen? Waarschijnlijk omdat onbekeerde Joden uit Antiochië het de bekeerde Joodse kerkleden moeilijk kunnen maken door ze als “ketters” te verdrukken.
Petrus krijgt te maken met Joodse kerkleden uit Jeruzalem, die nog streng de spijswetten naleefden. Zij benaderen Petrus om dit ook te doen, met als gevolg dat Petrus de kerkleden van heidense afkomst links laat liggen. Ook de andere Joodse christenen, zelfs Barnabas, doen hetzelfde.
Paulus vindt dat huichelen: je anders voordoen dan je overtuiging is om bij anderen waardering te krijgen of moeite uit de weg te gaan.
Paulus spreekt Petrus in het openbaar aan omdat Zijn gedrag ertoe leidt dat ook heidenen zich Joods moeten gedragen willen ze onderling gemeenschap kunnen hebben.
Hoe kunnen ook wij huichelen met de waarheid?
Zingen: Ps. 55:8,9
