LEZEN: Ex. 6:1-12: … Ik zal u tot mijn volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn …
Mozes is zwaar gefrustreerd, maar bovenal opstandig tegenover de HEERE. Zijn scherpe verwijt aan de HEERE is totaal ongepast. De HEERE had toch al laten weten dat Hij het hart van de farao zou verharden?
Toch blijft de HEERE geduldig, lankmoedig en goedertieren. Hij reageert op het verwijt van Mozes, maar niet in toorn. Rustig wijst Hij erop Wie Hij is: de trouwe God van het verbond, Jahwe. Zo mogen zij Hem nu kennen. Dat is een groot voorrecht, want de HEERE had deze naam niet bekend gemaakt aan de aartsvaders (vs.2). Hij was en is daarbij ook de Almachtige.
Vervolgens wijst de HEERE op Zijn verbondsbeloften van het land Kanaän en op Zijn omzien naar Israël zoals het verdrukt wordt, waarbij Hij denkt aan Zijn verbond met Abraham.
Dat alles moet genoeg zijn voor Mozes, Aäron en Israël om op Hem te vertrouwen, dat Hij hen werkelijk zal verlossen.
God zal Zijn verbond handhaven, dat staat vast. In al deze woorden horen we God in Zijn verbondstrouw en verbondsliefde. De Israëlieten moeten niet alleen horen dat de HEERE hen werkelijk zal uitleiden uit de dwangarbeid en hen verlossen zal door zware strafgerichten. Zij mogen ook horen dat hieronder Gods heerlijke genadeverbond ligt:
“Ik zal u tot Mijn volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn” (vs.6). Het zijn dezelfde woorden die God eens tot Abraham heeft gesproken (Gen. 17:7).
Ook Abraham werd zwaar beproefd door de HEERE toen hij zijn zoon Izak moest offeren. Abraham heeft deze proef doorstaan in het geloof, dat hem tot gerechtigheid is gerekend (Rom. 4:20,21; Hebr. 11:17v). Nu wordt Israël erop beproefd of ze Gods verbondswoorden geloven.
Hoe worden wij beproefd op ons geloof?
Zingen: Ps. 33:2,4
