LEZEN: Joh. 15:18-27: Als de wereld u haat, weet dat zij mij eerder dan u gehaat hebben … wie Mij haat, haat ook Mijn Vader … zij hebben Mij zonder reden gehaat … de Geest van de waarheid, Die van de Vader uitgaat, zal .. over Mij getuigen …
Juist als de discipelen de liefde van Jezus beantwoorden met hun liefde tot Hem en elkaar, ontmoeten ze de haat van de wereld. Jezus wijst hiervoor twee oorzaken aan. De eerste is dat de discipelen niet van de wereld zijn, dat wil zeggen dat ze zich niet aanpassen aan het ongeloof. Bij de wereld is ook het overgrote deel van Israël, dat niet gelooft, ingesloten.
De tweede oorzaak, aan de eerste verbonde, is dat de wereld Jezus haat. Haten is een afkeer van Hem hebben. De haat tegen Hem loopt uit op Zijn kruisiging. Het feit dat Jezus hen tot Zijn geliefden heeft uitverkoren maakt nu dat de wereld hen ook haat. Dat zou heel anders zijn als ze met de wereld zouden meeheulen.
Het vraagt van de discipelen een keuze: hun roeping volgen maar dan ook smaad lijden om Christus wil. Hun positie als dienaar van Jezus maakt dat de houding van mensen tot Jezus ook beslissend is voor de houding tegenover hen.
Omdat ze God de Vader niet kennen als Degene die Jezus heeft gezonden en ze niet naar Jezus hebben geluisterd en al zijn wonderen miskend hebben, staan ze volledig schuldig. In feite raakt hun positie tegenover Jezus ook hun positie tegenover God de Vader, want de Vader en Jezus zijn één: ze haten ook de Vader.
Maar de haat van de mens tegenover God en Jezus met zijn discipelen, is geen blijk van zwakte van Gods bestuur, maar een vervulling van de raad van God. God wil in die weg komen tot de kruisiging van Zijn Zoon als een daad zonder goede grond: haat zonder oorzaak (vs.25; vgl. Ps. 35:19; Ps.69:5).
Ook nu zullen we als gelovigen de haat van de wereld moeten ondergaan. De discipelen en wij kennen de troost dat de Heilige Geest ons zal sterken om te blijven getuigen van de Christus te midden van een kerkvijandige wereld vol haat en geweld (vs.26).
Ken je zelf een vorm van smaad lijden?
Zingen: Gez. 34:1,4
