LEZEN: Rom. 9:8-13: … Jakob heb ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat …
God zorgt voor een rest van verbondskinderen, die de beloften van Hem in geloof aannemen terwijl de meerderheid deze beloften verwerpt. Het geloof bij die rest is het werk van de Geest die Gods beloftewoord gebruikt om dit geloof met kracht uit te werken (vgl. HC V&A 65).
Paulus wijst op een verschil onder de kinderen van Abraham: kinderen van het vlees en van de belofte. Tot de laatsten behoorden Izak en zijn nageslacht en niet Ismaël en de kinderen van Ketura, die niet tot het verbond behoorden.
Paulus noemt nog een tweedeling onder de kinderen van de belofte; daarbij betrekt hij de uitverkiezing van God, die een scheiding maakt onder verbondskinderen. Uitverkoren kinderen nemen door de werking van de Geest Gods beloften aan, andere niet.
Deze verkiezing is al een feit voordat de kinderen er iets aan kunnen doen; het is niet uit werken, vers 11: toen de kinderen, Jakob en Ezau, nog niet geboren waren. Het is uitsluitend werk van de HEERE die verkiest en roept. Zijn verkiezend voornemen werkt Hij krachtig uit door Izak en alle andere uitverkoren kinderen tot geloof te roepen.
Zo stellen de Dordtse Leerregels in I, art. 10. “De oorzaak van deze genadige uitverkiezing is alleen het welbehagen van God. Dit bestaat niet hierin dat Hij uit alle mogelijke voorwaarden enige eigenschappen of prestaties van mensen heeft uitgekozen tot een voorwaarde voor het ontvangen van het heil. Integendeel, dit welbehagen, bestaat hierin, dat Hij bepaalde personen uit de hele zondige mensheid tot Zijn eigendom aangenomen heeft.”
Hierbij wordt verwezen naar de complete tekst van Rom. 9:11-13 en naar Hand. 13:48: “Allen die bestemd waren ten eeuwige leven, kwamen tot geloof”.
In DL I, art. 6 lezen we over het uitwerken van Gods voornemen: “Overeenkomstig dat besluit vermurwt Hij in Zijn genade de harten van de uitverkorenen, hoe hard die ook zijn, en buigt Hij ze om te geloven. Maar volgends datzelfde besluit, laat Hij hen die niet zijn uitverkoren, uit kracht van Zijn rechtvaardig oordeel over aan eigen slechtheid en hardheid”.
Is de uitverkiezing ons tot troost? Waarom?
Zingen:Ps. 105:4,21
