LEZEN: Rom. 10:11-21: …. Hoe zullen zij dan Hem aanroepen in Wie zij niet geloven? … Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God … Ik zal u jaloers maken door wat geen volk is …
Gods Woord stelt niet teleur als het aanvaard wordt. Want God schenkt verlossing in Zijn Zoon aan wie Zijn Woord aanvaardt, Jood of heiden. Tussen hen is er geen verschil meer als ze de Heere Christus aanroepen: Hij is Heer van hen allen en Zijn genade is rijk voor allen.
In Ef. 3:6 spreekt Paulus ervan dat hij onder de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus mocht verkondigen. Die rijkdom van de zaligheid is bestemd voor allen die Zijn Naam aanroepen: op Hem vertrouwen en het van Hem verwachten (vs.12). God wil dat dit evangelie overal wordt gepredikt, dan kan het overal worden aangenomen door degenen die door God geroepen worden.
In vers 14 en 15 lezen we vier zinnen met “hoe zullen zij?”. Deze reeks verwijst achtereenvolgend terug naar de basis. Voor het aanroepen van Christus is geloof nodig, voor geloof is nodig dat het evangelie over de Christus gehoord wordt, en daarvoor is weer nodig dat dit evangelie gepredikt wordt, waarvoor predikers nodig zijn, die uitgezonden worden om het goede te verkondigen.
Zo toont Paulus aan hoe belangrijk het is getrouwe predikers te hebben! Hun woorden zijn immers de woorden van hun Zender, Christus. Als je hen afwijst, wijs je Christus af. In Luk. 10:16 zegt Jezus tot Zijn discipelen: “Wie naar u luistert, die luistert naar Mij; wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, verwerpt Hem Die Mij gezonden heeft.”
De woorden van Paulus zijn daarom niet alleen bestemd voor Joden, maar voor alle ware predikers van het evangelie en hun hoorders, tot op de dag van vandaag.
Paulus wijst hiermee ook op het grote belang van zuivere prediking en op de kracht en rijkdom die deze prediking met zich meebrengt. Hoe heerlijk dit evangelie ook is, velen verwerpen het. Ze horen het evangelie, maar nemen het niet aan.
Toch werkt God nog aan Zijn oude volk door het te prikkelen dat heidenen wel gaan geloven. Zij die eens buiten Gods verbond stonden, zijn daarin nu door het geloof opgenomen.
Hoe strekte God Zijn handen uit (vs.21)?
Zingen: Ps.119:22,49
